runselmolen, waardoor het kruimelen bespoedigd wordt. In groote
melkerijen zouden wij zulk werktuig onvoorwaardelijk aanbevelen; het
geeft veel gemak en werkt zuiver.
Maar genoeg, wij gaan voort met afschrijven. »Na afloop van het duwen,
wordt de portel uit de tobbe gedaan; dan zet men de kazen in hare vormen
of koppen in de tobbe, en doet er dan heet gemaakte wei of water bij,
wascht de kaas en vormen schoon af, duwt ze nog eens luchtig na, en dan
is daarmede het zoogenaamd =baden= afgeloopen, en daarop volgt het
=doeken=. Dat is, men wikkelt de kaas nu netjes in den =kaasdoek=,
waarvan de slippen op den boven en beneden bodem van de kaas eene soort
van ster vormen. Men legt er nu den =hollen volger= op, (fig. 27) zet ze
twee à drie naast elkander in de =kaasvloot= en plaatst dan de vloot
onder de kaaspers." (fig. 28.)
[Illustratie: (fig. 27).]
[Illustratie: (fig. 28).]
Op het geheel dezer zinsneden hebben wij slechts twee bedenkingen; de
eene betreft de heet gemaakte wei of het verhitte water; hier toch is
weder de temperatuur niet aangegeven, en wij kunnen niet genoeg herhalen
dat de kaasboer zonder den warmtemeter in het donker rondtast. Wij
meenen op goede gronden te kunnen verdedigen, dat men bij dit afwasschen
der kaas hoogstens tot de temperatuur van het bloed, nooit hooger dan
tot 40° C. mag gaan. Hoogere warmtegraad heeft ook nadeeligen invloed op
de korst, die ruw en oneffen wordt.[1]
[Voetnoot 1: In den laatsten tijd zijn kaaszetters van porselein in den
handel gebragt. Wij kunnen zeer aanraden met deze een proef te nemen;
zij zijn geschikter dan die uit hout vervaardigd, wijl zij beter
gereinigd kunnen worden.]
Onze tweede bedenking is, zoo niet van meer, althans zeker niet van
minder belang; zij betreft de persing of drukkracht, welke de kaas moet
ondergaan. In het geheele stuk wordt dit gewigtig vraagstuk stilzwijgend
voorbijgegaan, wat meer is, tusschen de regels leest men dat die
drukking eene vrij onverschillige zaak is. Er staat toch dat men twee of
drie kazen onder de pers brengt; wordt er, gelijk hier het geval is,
niets meer bijgevoegd, dan staan de drukkingen, in beide gevallen op de
kaasstof uitgeoefend, tot elkander als drie tot twee. Nu zal wel niemand
het eene onverschillige zaak noemen of men zijne kaas perst met eene
drukking van bijvoorb. 30 of 20 kilogr.; wij meenen dat de kaasboer op
het drukvermogen zijner pers meer aandacht moet geven, dan tot heden het
geval is. Meermalen zagen wij dat dezelfde pers met hetzelfde vermogen
gebruikt werd voor een en voor vier kaasjes. Geen wonder dat de eene
kaas geheel anders uitvalt dan de andere! Dat moet veranderen. Wil men
niet, zoo als in Engeland, onder eene drukking van honderde kilogr.
werken, men zorge althans dat men met orde arbeidt, dat men wete waarom
men de eene kaas meer perst dan de andere. Vroeger vestigden wij de
aandacht op het feit dat sterker drukking gepaard gaat met grooter
deugdzaamheid, met langer bewaren van de kaas. Heeft men er belang bij
dat de kaas spoedig rijp wordt, of maakt men zeer vette kaas, dan werke
men bij minder drukking. Verlangt men kaas, die geschikt is om op
grooter afstanden verzonden te worden, men vermeerdere het gewigt,
waaronder de kaas in de pers staat. Men verzuime ook nooit om met minder
kracht het persen te beginnen; later vermeerdert men de drukking en
eerst op het einde der bewerking bereike men de uiterste grens. Hoe
geregelder de kracht vermeerderd wordt, des te beter valt de kaas uit.
Meestal zal men goede kazen maken, wanneer de drukking gaat tot vier of
zes malen het gewigt der kaas. Als uiterste grens stelle men dertig
kilogr. op een kilogr. kaas! Deze cijfers zijn maar niet losweg daar
neer geschreven; zij berusten op wat de ervaring in den laatsten tijd
leerde. Niemand, die de engelsche en duitsche litteratuur over dit
gedeelte der landbouw heeft bijgehouden, zal ons hierin tegenspreken. En
wij halen die schrijvers liever aan dan ons op onze personele ervaring
te beroepen.
Wij vervolgen onze aanhaling. »Na twee, drie of vier uren, al naar men
dat noodig oordeelt, onder de pers gestaan te hebben, worden ze uit den
vorm genomen; men doet er den kaasdoek voorzigtig af, neemt met een
scherp mes de, door het niet wel sluiten van den volger, of te ongelijke
drukking ontstane =randen= of =zoomen= naauwkeurig weg, doet ze nu in de
kaaszetters, die in de pekel gelegen hebben, legt er eenig nat zout op,
en laat ze zoo een paar uren staan (fig. 29); daarna worden ze weder
omgekeerd en met nat zout gewreven. Vervolgens wordt dat omzouten
minstens eenmaal daags herhaald, terwijl het zout telkens met pekel nat
gemaakt wordt."
[Illustratie: (fig. 29).]
»Sedert eenige jaren volgt men hier en daar eene andere wijze van
zouten, namelijk: na een of twee dagen als gewoonlijk in den zetter
gezouten te zijn, om ze zoo rond te doen worden als mogelijk is, legt
men ze in de pekelkist, gevuld met pekel van 24 graden"--Beaumé?--»en
behandelt ze daar onder latten, evenzoo als men de engelsche kaas pleegt
te doen. Op deze wijze nemen zij het zout beter aan, en kunnen er
spoediger uitgenomen worden. Bovendien is deze wijze van kaaszouten
voordeeliger, omdat er nu geen zout verloren gaat."
»De tijd, gedurende welken de kaas, zoo als men zegt, =in het zout
staat=, verschilt naarmate de gesteldheid van het weder en de soort van
kazen. Gewoonlijk zout men de =kleintjes= van 4 oude ponden 8 à 10
dagen; =middelbaren= van 10 à 12 pond, 12 à 14 dagen; =grooten= van 20 à
24 pond, worden drie weken gezouten."
»De kaaszetters, waarin de kazen gezouten worden, plaatst men in de
zoutkist of ook op de zouttafel. Nu men meer gebruik maakt van de
pekelkist, worden er natuurlijk veel minder kaaszetters in gebruik
genomen."
De heer BOUMAN perst zijne kaas gedurende twee, drie of vier uren, al
naarmate hij dat noodig oordeelt. Die langere of kortere tijd hangt
natuurlijk af van de mindere of grootere kracht van zamenhang, welke de
kaas op verschillende tijden toont te bezitten. De ervaring alleen moet
hier onze leidsvrouw zijn. Wij meenen evenwel gegronde aanmerking op die
tijdsbepaling te mogen maken; de boeren in Noord-Holland zetten in den
regel des avonds hunne kaas onder de pers, en laten die daar verwijlen
tot den volgenden morgen. De kaas, die 's morgens gemaakt wordt, staat
tot den avond van dienzelfden dag. In Engeland, waar men met zulk eene
groote kracht werkt, duurt het persen van 18 tot 24 uren. Heeft de boer
over slechts eene pers te beschikken, dan mag die, ons erachtens, nimmer
leeg staan. Daarom zouden wij, als kortsten tijd, willen voorschrijven
dat de kaas gedurende een half etmaal zal geperst worden. Iets langer
zelfs zal, waar het geschieden kan, niet schaden.
Omtrent de wijze van zouten hebben wij niets bij te voegen. Wij weten
zeer goed dat men niet op eenmaal er toe zal overgaan om het zout bij
de wrongel te voegen; velen zullen nog aan de oude wijze van handelen
de voorkeur geven. Daarom alleen hebben wij haar hier een plaatsje
ingeruimd, niet omdat wij meenen dat zij met de nieuwe op eene lijn mag
gesteld worden. Hoe zeer de meeningen in deze zaak verschillen is ons
gebleken bij de beoordeeling dezer prijsverhandeling; twee heeren der
jury waren de oude methode onvoorwaardelijk toegedaan en hebben ons
verzocht daarvan melding te maken. Een dier heeren geeft den raad om
de zoutkist (fig. 30), die met een deksel gesloten kan worden, door
het inzetten van een stukje geglommen turfkool op 20° C. te houden, welk
voorschrift behartiging verdient.
[Illustratie: (fig. 30).]
Het slot van het schrijven des heeren BOUMAN maken wij gaarne tot het
onze. »De kazen," zegt hij, »behoorlijk gezouten, worden =uitgestort=,
dat is, men neemt ze uit de zetters, of uit de pekelkist, en plaatst ze
op de waschtafel; afgewasschen en gedroogd zijnde, brengt men ze op de
=kaasborden=, alwaar ze dagelijks worden =gekeerd=. In de kaasborden
zijn ronde gaten geboord, die naar onder naauwer worden, waarin de kazen
sluiten; men maakt daarvan gebruik om te voorkomen dat de kaas te vlak
van bodem wordt. Na in den regel drie à vier weken op de kaasborden
vertoefd te hebben, en intusschen twee à drie maal =schoongemaakt=, dat
is, in den =kaasweeker= afgewasschen te zijn, kunnen zij ten verkoop
afgeleverd worden. Voor de laatste maal wascht men ze met =heete= wei,
en wrijft ze den volgenden dag met een wollen lap, in =kokende lijnolie=
gedoopt, stevig in, hetwelk aan de korst kleur en glans bijzet."
De heer BOUMAN houde ons ten goede dat wij zijn werk afgeschreven en
hier en daar veranderd hebben. De redactie van de landbouw courant
noemde zijn opstel een belangrijk artikel, maar het is in 1867 in druk
verschenen, en sedert dien tijd heeft de wetenschap niet stil gestaan.
Hij schrijve derhalve onze critiek niet toe aan betweterij, maar aan den
natuurlijken loop der dingen.
Hoezeer het botermaken niet tot ons onderwerp behoort, willen wij toch
met een enkel woord melding maken van de wijze, waarop men in Engeland
de wei verder bewerkt. Men tracht daar te verhoeden dat al de melksuiker
der wei in melkzuur wordt omgezet, wijl de wei, na van de boter beroofd
te zijn, dan geschikter is tot voedering der varkens.
Men begint in Engeland met zich een zuur te bereiden; daartoe verhit
men wei, van room beroofd, tot het kookpunt, voegt bij tien deelen van
het kokend vocht een deel zure wei, en roomt caseine en eiwit, welke
door het koken gestremd zijn, zorgvuldig af. Na een of twee dagen
gestaan te hebben is het verkregen vocht geschikt om als zuur bij de
volgende bewerking gebruikt te worden. Deze laatste bestaat daarin dat
men bij 50 deelen zoete wei een deel zuur voegt; is de wei reeds zuur of
zuurachtig, dan heeft men natuurlijk minder noodig. Sommigen voegen nog
een weinig zout toe. Men verhit nu de vloeistof tot 80° C.; de room komt
op en wordt met een tinnen spadel afgenomen. Men laat hem op een koele
plaats gedurende hoogstens 24 uren staan, en karnt bij 15 tot 20° C.,
naarmate het weder warmer of koeler is.
Gebreken der kaas.
Het zal den lezer, die ons tot heden gevolgd heeft, niet moeijelijk
vallen eene verklaring te vinden voor de meeste gebreken, welke in de
kaas voorkomen. Heeft men gezonde melk, onberispelijke lebbe-vloeistof,
zuiver zout en werkt men zindelijk naar de regelen boven ontvouwd, dan
kan het niet anders of men zal beste kaas maken. Laten een of meer dezer
gegevens te wenschen over, dan zal ook het product, de kaas, minder goed
of slecht zijn.
Gezonde melk noemden wij in de eerste plaats. Oppervlakkig zou men
meenen dat zieke melk niet dan bij uitzondering voorkomt, omdat de zieke
koe weldra ophoudt melk te geven. Dat is in zekeren zin waar, maar hoe
menige ligtere ongesteldheid is er niet, waardoor het dier, ja, minder
melk geeft, maar welke, wanneer men niet oplettend toeziet, ongemerkt
voorbij gaat, totdat de boer door de lagere geldswaarde zijner kaas
oplettend gemaakt wordt. Wordt de melk van vele koeijen bijeen gegoten,
dan komen die kleine verschillen niet uit; op het oog verraadt de melk
bovendien niet altijd of zij, om een voorbeeld te noemen, wat meer of
wat minder eiwit bevat, of de zamenstellende deeltjes onderling in de
juiste verhouding voorkomen, en dergelijke meer. Boven, waar wij over de
bestanddeelen van melk, boter en kaas spraken, hebben wij aangetoond dat
de kracht van zamenhang der zamenstellende deeltjes niet altijd dezelfde
was. Zulke gebreken kan men moeijelijk op het oog bepalen. Men moet
derhalve liever zijne aandacht op de koe gevestigd houden. Geeft zij van
den eenen tot den anderen dag minder melk, dan kan men zich verzekerd
houden dat er iets hapert. Natuurlijk sluiten wij hier het gewone beloop
der zaken uit, waarbij de koe minder melk geeft, naarmate zij digter bij
het kalven komt; daarom spreken wij van verschillen, die zich van den
eenen tot den anderen dag openbaren.
En er zijn zoo vele momenten, die de koe, zoo niet ziek, dan toch
ongesteld of minder lekker maken, om een oosterschen term te bezigen. Op
de meeste stallen wordt niet voor behoorlijke ventilatie gezorgd; de koe
staat op den stal in een verstikkenden dampkring door de uitademing van
zoovele dieren geboren; de mest wordt niet altijd behoorlijk verwijderd,
en door hare ontbinding ontstaan andere gassoorten, die der gezondheid
schadelijk zijn. Het drinkwater op den stal laat te wenschen over. In
Noord-Holland worden putten gegraven, waarop pompen gezet zijn. Meestal
vindt men die pompen in de stallen. Is het wonder dat het water daar
dikwerf zwavelig is, zooals de boer het uitdrukt? De pis uit den stal
zakt door den bodem en brengt organische stoffen in het bodemwater. Men
meene ook niet dat metselwerk ondoordringbaar voor gas is; van het
tegendeel kan men zich gemakkelijk overtuigen. Bedekt men een blok
metselwerk ter dikte van 50 centimeters met vernis, zoodat het geen gas
meer doorlaat, bevestigt men daarop ter wederzijde van dat blok een
pijpenkop luchtdigt tegen de steenen, welke onder dien kop niet vernist
mogen zijn, en laat men gewone lichtgas onder matige drukking in den
pijpenkop stroomen, dan zal men, na kort verwijl, de gas, die door den
anderen stroomt, kunnen ontsteken. Zullen wij het den boer tot verwijt
aanrekenen dat hij zulke dingen niet weet? Wel wijzer menschen hebben
gedwaald; wij herinneren hier slechts aan die zwavelbron, welke binnen
Parijs ontsprong, en waar vele inwoners dier stad zwavelbaden gingen
nemen, tot het eindelijk uitkwam dat de vermeende bron niets anders
bevatte dan het water, dat van een hooger gelegen kerkhof onder den
grond door zijn weg vond tot de badinrigting.
En toch kan op oorzaken als de hier genoemde niet genoeg gewezen worden.
Maar er zijn er meerdere; wij herinneren nog slechts dat het hooi bij
vele boeren zoo in gisting geraakt, broeit, dat het ten laatste vlam
vat. In den zomer ziet men mannen met lange pieken en hamers gewapend
het land afloopen; zij slaan die puntige stangen in het hooi, en zeer
dikwijls gebeurt het dat die er zeer verhit uitkomen. Ook dat mag geen
plaats hebben. Een enkel maal moge dit broeijen aan het natte weder zijn
toe te schrijven, waardoor het onmogelijk is het hooi droog in de schuur
te brengen, meestal zal het te wijten zijn aan nalatigheid van den boer.
En nu vragen wij of het dier, de melkfabriek zouden wij geneigd zijn te
zeggen, goede melk kan opleveren, als de vormende bestanddeelen, het
voedsel, slecht zijn?
In den zomer loopt de koe in de weide; daar is zij, met het oog op
ons onderwerp, aan andere gevaren overgegeven. Zij moet regen en
zonneschijn, goed en slecht weder trotseren en vindt soms niet eens het
noodige water om haar dorst te lesschen. Vele melkgebreken worden aan
het weder toegeschreven, en te regt, maar toch in een anderen zin dan
wij bedoelen. Het weder maakt, naar onze meening, de koe ongesteld of
ziek, en de koe geeft op hare beurt minder goede melk. De dampkring
oefent weinig invloed op de melk zelve uit; natuurlijk dat men de melk
bij warm weder niet zoo lang bewaren kan als bij koeler atmospheer:
warmte toch bespoedigt alle scheikundige werkingen. Maar laten wij dit
buiten rekening, dan zal de melk niet spoediger aan ontleding zijn
blootgesteld, omdat de electrische spanning in den dampkring grooter
of kleiner is, zooals velen verkeerdelijk beweren. Is de electrische
spanning van den dampkring groot, de lucht zeer droog, bij onafgebroken
zonneschijn, en hebben de koeijen geene gelegenheid om schaduw te
vinden, gelijk dit in de weiden van ons vaderland zoo vaak het geval
is, komt hierbij de plaag der vliegen, dan is het volstrekt niet te
verwonderen dat de melk van zulke beesten anders is dan van dieren, die
aan dergelijke nadeelige invloeden niet zijn blootgesteld.
Het eene dier biedt meer wederstand aan ziektemakende oorzaken dan het
ander; het gaat hier als bij de menschen: de een mag ongestraft doen wat
de ander duur moet bekoopen. Een verstandige boer verliest derhalve zijn
vee nimmer uit het oog; hij bezoekt elken dag zijn koppel en ontwaart
zoo weldra dat de een of de ander zijner koeijen teekenen van minder
welbehagen geeft. De melk van zulk dier mag hij niet bij zijn overigen
voorraad voegen, wil hij steeds kaas van eerste hoedanigheid blijven
maken.
Het bedrijf van den boer is lang zoo gemakkelijk niet als het wel
schijnt; velen verbeelden zich, om bij ons onderwerp, het kaasmaken,
te blijven, dat de scheikundige het middel aan de hand kan doen, dat,
bij de melk gevoegd, deze zoo omzet, dat kaas van de beste hoedanigheid
uit slechte melk wordt bereid. Dat gaat niet, de melk wordt gevormd
onder den invloed van het leven, en de vraag naar het leven moge de
levensvraag zijn van onzen tijd, zij zal dat nog lang, misschien immer
blijven. En zoolang de natuurkundige geen melk kan daarstellen zonder
tusschenkomst van het leven, van het dier, zoolang zal hij te vergeefs
zoeken naar een algemeen voorschrift om uit minder goede melk
onberispelijke kaas te maken. Zijn streven moet zijn de natuur te
bespieden, de wetten van het leven op te sporen, de invloeden, welke
voor- of nadeelig op het leven werken, uit te vorschen; zijne wetenschap
berust geheel op ervaring en is alleen door deze uit te breiden en
volkomener te maken. Brengt hij de oorzaken, welke de ervaring hem
geleerd heeft dat storend op het leven werken, dat is, ziek maken, ter
kennis van het algemeen, dan heeft hij het zijne verrigt; en de boer,
die prijs stelt op goede kaas, mag die aanduidingen niet in den wind
slaan, maar moet er geregeld kennis van nemen.
Aan de moeijelijkheid boven genoemd paart zich eene tweede; de boer
moet in zekeren zin kruidkundige zijn; hij moet weten welke gewassen
voordeelig, welke andere schadelijk zijn. Ook dient hij eenig begrip van
scheikunde te hebben, het kaasmaken toch berust op chemische gronden.
Maar genoeg over dit onderwerp; wij hebben er eenige regelen aan gewijd
om een denkbeeld te bestrijden, dat tot schade van den landman reeds te
veel wortel geschoten heeft. Evenmin kunnen wij hier treden in eene
uitvoerige beschrijving der verschijnselen, waardoor de boer ervaart
of zijn vee meer of minder gezond is; daartoe raadplege hij boeken,
uitsluitend over dat onderwerp geschreven, en wij durven hem verzekeren
dat zijne moeite hare belooning met zich zal brengen. Over enkele
ziekten van het vee, voor zoo verre zij met ons onderwerp in verband
staan, hebben wij in een voorgaand hoofdstuk reeds gesproken, maar zulk
vlugtig overzigt mag liefst niet in de plaats treden van werken als de
boven bedoelde.
Tot de gebreken, waarvan de oorsprong meer in het bijzonder bij de koe
moet worden gezocht, behoort in de eerste plaats het blaauwworden der
kaas. De boer brengt zijne melk in de kaaskamer, verwerkt haar tot kaas,
die hij in de pers zet, en ontwaart later tot zijn schrik dat de kaas in
de pers hier en daar eene blaauwe kleur heeft aangenomen. Nu eens loopt
er een blaauwe band om de kaas, dan weder is het of de vingers van den
mensch hunnen indruk in blaauwe tint hebben achtergelaten. Snijdt men
de kaas door, dan bevindt men in sommige gevallen dat de kleur
onberispelijk is; bij andere gelegenheden komt dezelfde blaauwe kleur
ook in het inwendige van de kaas voor.
Wat die kleurstof is hebben wij gezien, toen wij over de gebreken der
melk spraken. Daar is breedvoerig uiteengezet hoe zich sommige kiemen,
fermenten, kunnen ontwikkelen, wanneer zij een geschikten bodem daartoe
vinden. En vele dier kiemen zijn voortdurend in den dampkring aanwezig
of hechten zich aan de verschillende voorwerpen. Vallen zulke fermenten
op geheel gezonde melk, dan komen zij niet tot verdere ontwikkeling;
komen zij daarentegen in melk, die eene eigenaardige, tot heden niet
nader onderzochte verandering ondergaan heeft, dan ontstaat de blaauwe
kleur der melk en natuurlijk ook die der kaas. Slaat men in zulk geval
zijn vee naauwkeurig gade, dan zal men meestal bespeuren dat een of meer
der dieren niet volkomen gezond zijn. Het kan gebeuren dat de boer, die
minder oplettend is of zijn vee niet elken dag bezoekt, niets meer
waarneemt, waardoor hij geregtigd zou zijn aan te nemen dat zijne
koeijen minder wel zijn, en toch blijft hij blaauwe kaas maken.
In zulk geval is de koe hersteld, voordat de veehouder aan ziekte
dacht. Maar de zieke melk is verwerkt en heeft andere, gezonde melk
aangestoken. In de zieke melk ontwikkelde zich het ferment, dat nu ook
op gezonde melk overgaat. Het vermenigvuldigt zich in de kaaskamer
weldra zoo, dat het aan de meeste voorwerpen, die daar bewaard worden,
hangen blijft. Zelfs op de kleederen der boerin vindt men het; van de
kleederen gaat het op de handen over en geeft op de oppervlakte der kaas
de indrukselen der vingers, gelijk wij boven opmerkten. Komt in de
kaaskamer een persoon, die niet besmet is, en weet hij vlug en handig de
kaas af te werken, dan kan het gebeuren dat het inwendige der kaas vrij
blijft en dat zelfs op de oppervlakte geen tinten voorkomen. Blijft hij
echter, zonder zich herhaald te reinigen, voortwerken, dan kan het niet
anders of hij moet, als zijne voorgangers, blaauwe kaas maken. En hierin
vindt men de verklaring dat sommigen stoutweg verzekeren dat zij goede
kaas zullen maken in hetzelfde vertrek, waarin de boerin zoo menige
teleurstelling ondervond.
Het blaauwworden der kaas is een lastig gebrek; men komt het alleen te
boven door de zindelijkheid tot het uiterste te drijven. Vooraf echter
onderwerpe men zijn vee aan een angstvallig onderzoek. Vindt men enkele
dieren minder lustig, is de eetlust gezonken, dan geve men hun eenig
bitter of aromatisch bitter middel, zooals absinth, kalmoes en
dergelijken.
Daarop ga men over tot het reinigen der kaaskamer en van alle
voorwerpen, welke tot het kaasmaken behooren, opdat men de smetstof
zeker vernietige. Die zaak schijnt oppervlakkig gemakkelijker dan zij
in de werkelijkheid is. Om dit met een zeer bekend voorbeeld op te
helderen, behoeven wij de kraamvrouwenkoorts slechts te noemen. Ontstaat
die ziekte ongelukkigerwijze in de kraamkamer van het hospitaal, dan
worden alle andere kraamvrouwen ten spoedigste naar huis gezonden, het
vertrek gereinigd, gewit, gelucht en dat alles vaak drie maanden
volgehouden. Is de verloskundige besmet, dan brengt hij de smetstof aan
andere kraamvrouwen over, ook al heeft hij zijn ligchaam gereinigd,
zijne kleederen uitgeklopt en te luchten gehangen. In zulk geval moet
hij zich een gedwongen rust van zeker drie maanden opleggen. Verschijnt
hij binnen dien tijd aan het kraambed, dan is er alle kans dat de
gelukkige moeder weldra op haar doodbed komt te liggen. Wij zouden
andere ziekten kunnen aanhalen om te bewijzen dat men de kiem bijna
vernietigde, terwijl toch alleen volkomen afsterven herstel kan
aanbrengen.
Hoe zal men te werk gaan om het besmette kaasvertrek met goed gevolg te
reinigen? Voor alles verwijdert men de melk, welke men als voedsel aan
andere dieren, de kalveren bijvoorb., kan geven. Men brengt alle
melkgereedschappen naar buiten, spoelt ze met schoon water af, reinigt
daarna blank houten voorwerpen met kokende loog, metalen vaten met
kokend water of zeepnat, spoelt ze andermaal af en laat ze buiten staan.
Heeft men het hout zwart geverwd met de oplossing van overmangaanzure
potasch, dan reinigt men zulk vaatwerk met een loog uit laatstgenoemd
zout en zuiver water. Wij behoeven hier niet andermaal te herinneren dat
de overmangaanzure kali sterk oxyderende eigenschappen bezit, waardoor
zij het vermogen heeft smetstoffen van organischen oorsprong te
vernietigen. In de kaaskamer zet men alle luiken open, reinigt den vloer
met loog of chloorkalk, bestrijkt de wanden met kalkmelk, waarbij men
chloorkalk gevoegd heeft, en behandelt houten voorwerpen, die niet
verwijderd kunnen worden, op dezelfde wijze als voor het vaatwerk is
aangegeven. Soms is eene reiniging, mits goed uitgevoerd, voldoende;
meestal echter zal men het schoonmaken op bepaalde tijdstippen moeten
herhalen. Men telle den vijand niet te ligt en zie toe of hij zich nog
hier of daar schuil houdt.