Na het snijden laat men in de fabriek, welke wij boven aanhaalden, het

vat eenige minuten met rust, opdat de wrongel zal bezinken. Dan wordt

de wei langzaam tot 37 of 40° C. verwarmd. Die regel is van toepassing

bij versche zoete melk. Is de melk oud en zuurachtig, dan laat men de

temperatuur zeer snel rijzen, totdat men den begeerden graad van 37 tot

40° C. bereikt heeft. Door het verwarmen begint de vroeger zoete wei een

zuren smaak aan te nemen. Dit is het juiste oogenblik om haar van de

wrongel af te gieten of haar, door het openen van een kraan of door

middel van een hevel te verwijderen.

De naauwkeurige graad van het zuur worden is van het allergrootste

belang; jammer dat smaak en reuk, die bedriegelijke waarnemers, hier nog

beslissen moeten. Had men een geschikten acidometer, die met juistheid

en de hier gevorderde snelheid den graad van het zuur aan gaf, dan

behoefde men zich niet met een ten naastenbij te vergenoegen. In Amerika

neemt men zijn toevlugt tot een heet ijzer om te bepalen of men den

regten graad van het zuur worden der wei reeds bereikt heeft. Men neemt

een stukje wrongel, perst er de wei uit en brengt het in aanraking met

het heete ijzer, totdat het er aan kleeft. Daarop tracht men de wrongel

op zachte wijze van het ijzer te verwijderen; heeft men het regte punt

van zuur worden niet bereikt, dan breekt het stukje runsel kortweg van

het ijzer af. Is daarentegen de wrongel op het punt, dat men verlangt,

dan laat zij zich, zonder af te breken, in draden trekken van 15 tot 20

centim. lengte. Hoe meer en hoe fijner draden men verkrijgt des te nader

is men bij het toppunt van goede kaas.

Is de wei afgegoten of door een hevel verwijderd, dan komt het runsel in

een langwerpige kist met dubbelen bodem. De binnenste dier bodems is op

vele plaatsen doorboord, om uitweg aan de wei te geven. Men spreidt een

doek in de kist, vult haar gedeeltelijk met wrongel, strooit daarover

het noodige zout en werkt alles goed door elkander. Dit doorwerken

geschiedt nog met de hand en is derhalve eene leemte in de bewerking;

veel beter ware het hiertoe de hulp van een werktuig in te roepen. Door

het kneden wordt de wei, maar ook een gedeelte van het zout, in de wei

opgelost, verwijderd. Anderen laten het kneden voorafgaan en voegen dan

eerst het zout bij de wrongel; men heeft dan iets minder zout noodig,

maar de ervaring heeft geleerd dat de smaak der kaas beter is, wanneer

het zout onder de nog warme wrongel geroerd wordt. In het laatste geval

nemen de engelschen drie kilogr. zout op 100 kilogr. wrongel, in het

andere geval slechts 2,5 kilogr. Voor ons hollanders zou die kaas wel

wat laf zijn; beneden de 5 proc. zout moeten wij liefst niet gaan, ook

met het oog op het langer bewaren.

Na het zouten komt de kaas onder de pers; de engelschen gebruiken

daartoe ringen of cilinders van gegalvaniseerd ijzer, welke 50 centim.

hoog zijn en een diameter hebben van 37 tot 38 centim.; zij moeten zeer

sterk zijn om de hooge drukking, aan welke zij weerstand te bieden

hebben, te kunnen doorstaan. Men spreidt een doek onder den cilinder,

vult dezen met wrongel en bedekt de laatste met een anderen doek. Daarop

brengt men het geheel onder de pers, welke zoo is ingerigt, dat door het

draaijen van een plaat aan den cilinder zijne plaats kan worden gegeven.

Eerst perst men onder flaauwe drukking, dan verhoogt men de kracht

gedurende een paar uren, totdat de drukkracht gelijk staat met 1500 tot

2000 kilogr. gewigt. Door dit persen krijgt de kaas zamenhang, wordt zij

vast. Men neemt nu de kaas uit den ring, bekleedt haar met taf en perst

haar andermaal gedurende 18 tot 24 uren met eene kracht van 2000 tot

2500 kilogr.

Na afloop van het persen, brengt men de kaas in een ander vertrek, waar

eene gematigde warmte heerscht en voor goede ventilatie gezorgd is. De

bedorvene lucht kan boven ontwijken, de frissche zuivere buitenlucht

komt van beneden binnen. De openingen, welke aan de lucht toegang

verleenen, staan onder contrôle; men kan door het openen en sluiten van

schuiven den toevoer naar willekeur regelen. Gedurende twee of drie

dagen wordt de kaas in dit vertrek dagelijks ingewreven met goed

gesmolten weiboter; verzuimt men deze voorzorg, dan trekt de korst te

snel zamen, zij krijgt barsten, waarin weldra vliegen, wormen en

insecten huizen. Gedurende de eerste zes weken wordt de kaas in dit

vertrek op een warmtegraad van 20 tot 25° C. gehouden; bij deze

temperatuur droogt zij snel in. Na dien tijd laat men het vertrek

langzaam tot 14 of 15° C. verkoelen, en na een verwijl van verdere

veertien dagen kan men de kaas ter markt brengen.

Het engelsch tijdschrift, waaraan wij deze beschrijving gedeeltelijk

ontleenen, eindigt aldus: =the results have exceeded the most sanguine

expectations, and attained a complete success=.

Onze gewone, hollandsche methode van kaasmaken wijkt in enkele punten

van de boven beschrevene af; wij zullen trachten beiden met elkander in

overeenstemming te brengen. Theorie en ervaring zullen ons daartoe de

hand reiken.

De goudsche of stolksche kaas wordt bereid uit versch gemolken koemelk,

van welke de room niet is afgenomen; hetzelfde heeft plaats met de

noord-hollandsche of edammer kaas. Alleen dan, wanneer in het najaar

of in den winter de melk zeer vet is, veroorlooft men zich eenige

roomdeelen terug te houden; dan wordt in den regel de avond- of

ochtendmelk afgeroomd en bij de niet geroomde ochtend- of avondmelk

gevoegd. Doet men dit in zulke tijden niet, dan verkrijgt men wel zeer

vette smakelijke kaas, maar zij kan niet lang bewaard worden, heeft soms

zelfs zoo weinig zamenhang, dat de vorm verloren gaat en plaats maakt

voor eene ingezakte platte schijf. Voor de markt en de verzending is men

derhalve genoodzaakt onder sommige bijzondere omstandigheden met iets

minder vette melk te werken.

In den zomer loopt het dier op het land, soms ver van de kaaskamer

verwijderd. Bij het vervoer der melk zij men dan bedacht dat zij zoo min

mogelijk geschud wordt. Varen is beter dan dragen, het laatste beter dan

rijden.

Bij de aankomst der melk in het vertrek tot kaasmaken ingerigt, laat

men haar door een haren of metalen zeef loopen; de regt zindelijke boer

herhaalt die bewerking met eene fijnere zeef. Wanneer de melk nu in

de kaastobbe staat, moet het eerste werk zijn met den thermometer de

temperatuur na te gaan. Moet men in den zomer de melk niet te ver

vervoeren, dan zal dit werktuig meestal een warmtegraad van 30 tot 36°

C. aanwijzen. In zulk geval laat men derhalve de melk een weinig

bekoelen, totdat de thermometer op ongeveer 28° C. gezonken is. In den

winter wacht men niet zoolang, maar zorgt dat de melk 30° C. warmte

heeft. Het kan bij felle koude zelfs gebeuren dat de warmtegraad beneden

30° C. zinkt. In zulk geval moet men een gedeelte der melk verwarmen en

bij de overige voegen, om zoo weder de meest geschikte temperatuur te

verkrijgen. Ook in den zomer moet men in enkele gevallen zijne toevlugt

tot kunstmatig verwarmen nemen; dit geschiedt vooral dan, wanneer men

een gedeelte der melk, 's avonds of 's morgens te voren gemolken, heeft

moeten afroomen, opdat de kaas niet te vet zal zijn.

Sommigen verkoelen de warme melk in het heetst van den zomer met koud

bronwater; de methode is goed, mits men geen water bij de melk voegt,

maar haar in een metalen vat in koud, kan het, stroomend water zet.

Heeft men zich nu overtuigd dat de melk na het tweemalen doorzeven van

haren en andere toevallige onreinheden streng gezuiverd is, en dat zij

den gewenschten warmtegraad heeft aangenomen, dan mengt men haar met de

lebbe-vloeistof. In den winter moet de kaas gekleurd worden; de mode

wil dit nu eenmaal. Om de gewenschte kleur te maken, voegt men in de

allereerste plaats een weinig orlean met potasch en water gekookt,

zoogenaamde annatto bij de melk. De hoeveelheid regelt zich naar het

gehalte der melk, het jaargetijde, het voedsel van de koe en de mode.

Over de lebbe-vloeistof of het stremsel leze men onze algemeene

beschouwingen. Hier mogen wij eene enkele opmerking niet achterwege

laten; zij is deze: naarmate de warmtegraad der melk lager is, naar die

mate wordt iets meer van de lebbe-vloeistof toegevoegd; zij moet ook

sterker zijn, naarmate langer tijd sedert de afkoeling verloopen is. De

hoeveelheid stremsel rigt zich voorts naar de eigenschappen der melk; in

het voorjaar kan men iets minder nemen, in het najaar gebruikt men iets

meer.

Het stremmen der melk is meestal in 8, 10 of 15 minuten afgeloopen;

duurt het langer, dan zal het moeijelijk vallen om kaas van eerste

qualiteit te bereiden. In zulk geval neemt men krachtiger stremsel of

grooter hoeveelheid van dit laatste; wij zagen boven toch reeds dat de

eigenschappen der melk de hoeveelheid der lebbe-vloeistof moeten

bepalen.

Het doorsnijden der wrongel is de nu volgende bewerking; hiermede haaste

men zich echter niet te zeer. Is het stremmen in 15 minuten afgeloopen,

dan laat men de wei en wrongel liefst nog eenige minuten rust, voordat

men tot de verdeeling van het runsel overgaat. Gedurende het stremmen

dekt men de kaastobbe met deksel en doek, opdat de zoo noodige warmte

zoo min mogelijk ontsnappe.

[Illustratie: (fig. 21).]

[Illustratie: (fig. 22).]

Omtrent de voorzorgen bij het snijden der wrongel in acht te nemen en de

geschiktste zamenstelling der messen hebben wij het noodige gezegd bij

de beschrijving der komijnde en zoete melksche engelsche fabriekskaas;

volgt men de daar gegeven regelen, dan kan men verzekerd zijn op de

beste wijze te werk te gaan. Ten overvloede herinneren wij nogmaals dat

het snijden niet te omzigtig geschieden kan; gaat men ruw te werk, dan

blijft een te groot gedeelte van den room in de wei. Alleen dan, wanneer

men zeer vette, niet afgeroomde melk verwerkt, kan men iets sneller

arbeiden. De geheele bewerking is in ongeveer 7 minuten afgeloopen. Men

laat nu de kaastobbe gedurende eenige minuten staan. Is de temperatuur

van het kaasvertrek laag, onder de 15° C, dan zorgt men voor bedekking

der tobbe. De wrongel in dobbelsteenen gesneden zakt langzaam naar

den bodem van het vat; men kan nu de bovenstaande wei met een hevel

verwijderen, maar gebruikelijker is het om door een nap, dien men

langzaam door de tobbe voert, de wrongel zoo na mogelijk tot een klomp

te vereenigen (fig. 21). Dit vereischt eenige oefening. Meestal zijn

vier of vijf omgangen van den nap door de tobbe voldoende, mits men

voorzigtig zij en zoo min drukking uitoefene als slechts mogelijk is.

Heeft men de wrongel tot een klomp gevormd, dan schept men met den nap

de wei af, en laat haar door een zeef loopen, om de enkele kaasdeeltjes,

welke vrij in het vocht zweven, niet te verliezen. Is het grootste deel

der wei verwijderd, dan neigt men de tobbe, houdt de wrongel met den

nap tegen en giet de wei verder af (fig. 22). Ten slotte zet men den

nap, bezwaard door een gewigt van 10 tot 20 kilogr. op de wrongel en

perst zoo verdere vochtdeelen uit (fig. 23); zelden behoeft men het

uitscheppen van wei meer dan twee of drie malen te herhalen. De geheele

bewerking is voldoende gelukt, wanneer de afgeschepte en afgegoten wei

helder is.

[Illustratie: (fig. 23).]

De wrongel in de tobbe achter gebleven is nu vast, veerkrachtig en

compact of zaamgedrongen; heeft men met gunstig gevolg gewerkt, dan mag

men hoogstens 3 of 4° C. in temperatuur verloren hebben. Is het runsel

meer bekoeld, dan moet men er warme wei opgieten en wachten tot dat

de warmtegraad zich hersteld heeft. Men ga ook hier weder omzigtig te

werk, daar een te hooge warmtegraad te veel boterdeelen afscheidt en de

caseine taai maakt, waardoor de kaas later niet sluit en droog, taai

wordt. Is de kaasmaker zich niet van nalatigheid bewust, dan zal hij

slechts bij uitzondering tot deze verwarming behoeven over te gaan,

welke voor een goed product altijd meer of minder nadeelig is.

Het geheel dezer bewerkingen, zooals wij haar tot heden beschreven

hebben, wordt overal daar gevolgd, waar men vette geperste zoetemelks

kaas bereidt, zonder voorafgaande verwarming der melk tot hooge

warmtegraden. Uit de verkregen wrongel kan men chester- en

gloucester-kaas, goudsche- of stolksche- en edammer- of

noord-hollandsche kaas maken. Bij de volgende bewerkingen heeft elke

kaassoort hare eigenaardigheden. Zij zien echter meer op den vorm dan

op het wezen der zaak. In de eerste plaats komt in aanmerking het

onderscheid in afmeting--in vorm--, vervolgens het verschil in gewigt.

Goudsche en edammer kaas hebben elk haren eigenaardigen smaak, welligt

meer toe te schrijven aan de weide dan aan de bewerking. Bekend toch is

het dat de kaas uit verschillende polders, overigens op geheel dezelfde

wijze daargesteld, groote afwijkingen in smaak oplevert. Wij zien geen

enkele reden om eene scherpe lijn te trekken tusschen de bereiding van

beide soorten, edammer en goudsche kaas; wel mogen wij er op aandringen

om meer regelmaat te brengen in de bereiding. En wat wij voornamelijk

hiermede op het oog hebben zal terstond blijken, als wij over het zouten

der kaas spreken. De oude methode, wij stelden het reeds bij de

behandeling der komijnde kaas op den voorgrond, heeft vele gebreken,

onder welke zeker niet de minste is dat men in het onzekere blijft

omtrent de hoeveelheid zout in de kaas aanwezig. Om hierin eenvormigheid

en verbetering te brengen, is het volstrekt noodig dat men bij een

bepaald gewigt kaas, stel 100 kilogr., een bepaalde hoeveelheid, stel 5

tot 6 kilogr., zout voegt. Er zijn er die tot 10 proc. van het gewigt

der kaas aan zout willen bezigen; wij kunnen er vrede mede hebben, omdat

men van een vasten grondslag uitgaat, maar meenen toch dat men in het

belang van den gebruiker met iets minder toe kan. Ook hier evenwel is

het spreekwoord van toepassing: over den smaak valt niet te twisten.

Voor dat men derhalve overgaat om het runsel den vorm der kaas te geven,

wijde men zijne aandacht aan het zouten. Heeft men de wrongel op de eene

of andere wijze, door voorloopig zwak persen, kruimelen en dergelijken,

van de meeste weideelen ontdaan, dan kneedt men er het zout onder,

zorgende dat het zoo gelijkmatig mogelijk door de geheele massa verdeeld

wordt. Wil men het zout toevoegen, voordat het runsel zijne meeste

weideelen verloren heeft, dan neemt men de hoeveelheid wat grooter,

omdat in de aanwezige wei een weinig zout wordt opgelost en later, bij

het uitpersen, voor de kaas verloren gaat. Wij zouden aan de eerste

handelwijze de voorkeur geven, omdat de caseine door het voorloopig

persen en kruimelen tot eene weeke, gelijkmatige, vettige massa gebragt

wordt. Het spreekt van zelf dat men in dit geval zijne bijzondere

aandacht aan het zout moet wijden, want is het grof gekristalliseerd,

dan loopt men gevaar dat hier en daar in de kaas groote kristallen zout

gevonden worden. Alleen eene fijne verdeeling kan hier hulp bieden; dan

toch wordt het zout door het vocht der kaas gelijkmatig opgenomen. Om de

bewerking gemakkelijk te maken, kan men zijn toevlugt nemen tot een

vierkanten of langwerpig vierkanten houten bak met dubbelen bodem,

zooals wij vroeger beschreven hebben. In dien bak wordt de kaas gekneed,

des noods in een wrongelmolen gekruimeld, en ten slotte met het zout

goed doorgewerkt.

[Illustratie: (fig. 24).]

Is dit proces afgeloopen, dan gaat men over tot het vormen der kaas. Wil

men goudsche kaas maken, dan doet men de gezouten wrongel bij gedeelten

in den bestemden vorm, daar te lande kaasvat geheeten (fig. 24). Dit

kaasvat heeft ter zijde openingen, door welke tijdens het persen de wei

zich verwijdert. Men drukt de wrongel met de hand goed vast, en vervolgt

bij gedeelten tot het vat geheel gevuld is. Is dit geschied, dan heeft

de gevormde kaas reeds zoo veel zamenhang, dat men haar uit het vat

nemen en omkeeren kan, zoodat de onderkant boven komt. Deze handgreep

heeft ten doel de vorming in het kaasvat zoo volledig mogelijk te maken.

Men kruimelt het vlak dat in het kaasvat nu boven ligt en strijkt het

met de hand vlak. Dit opbreken of kruimelen moet ter diepte van twee

of drie centimeters gaan, opdat de later gevormde kaas geene scheuren

op den bodem zal hebben. Daarna legt men op het kaasvat een deksel

(fig. 25), den volger genaamd. Dat deksel past juist in het vat, en

wordt onder de pers (fig. 26) met de kaas naar beneden gedrongen.

[Illustratie: (fig. 25).]

[Illustratie: (fig. 26).]

De ervaring heeft geleerd dat de meest gepaste kracht, waarmede de kaas

aanvankelijk gedrukt moet worden, ongeveer het dubbel bedraagt van het

gewigt der kaas. Nadat die kracht gedurende drie of vier uren gewerkt

heeft, verdubbelt men haar en laat de kaas 9 of 10 uren onder die

drukking staan. Het is nuttig hier de opmerking te herhalen dat de kaas

langer bewaard kan blijven, naarmate zij onder zwaarder drukking in de

pers heeft gestaan. Beoogt men dit doel, dan doet men goed de drukking

gedurende de laatste drie uren andermaal te verdubbelen, zoodat de kaas

dan belast staat met het viervoud van haar gewigt. Geroomde, schrale,

magere kaas heeft meer drukking noodig dan vette kaas. In het eerste

tijdperk der persing wordt de kaas ieder uur omgekeerd, later om de drie

of vier uren. Telken reize dat de kaas uit den vorm genomen wordt, zie

men toe of de gaatjes, welke uitgang aan de wei verleenen, ook verstopt

zijn.

En hiermede is in dit geval de geheele bewerking van het kaasmaken

afgeloopen. Na het persen evenwel is de kaas nog niet ter aflevering

geschikt; zij moet droog en ook rijp worden. Wat het laatste is hebben

wij vroeger uitvoerig aangetoond. En hoe het droogen der kaas in

Engeland geschiedt, is boven ook beschreven. Niet elk echter heeft te

beschikken over een vertrek, dat naar de regelen kan geventileerd

worden; daarom zij hier herinnerd dat de beste bewaarplaats voor nieuw

gevormde kaas is een luchtig, droog vertrek, waar men naar willekeur

warmte en licht kan buiten sluiten. 's Morgens en 's avonds zet men een

luik open om versche lucht binnen te laten, maar men neemt zich in acht

tegen krachtige luchtstroomen, die de kaas doen barsten of scheuren. Men

zet in dit vertrek de kazen op glad geschaafde planken, liefst niet van

eikenhout, ten zij men die vooraf reinige, zoo als wij boven voor eiken

vaatwerk hebben opgegeven. Gedurende drie of vier weken, dat is, den

tijd noodig tot het droogen en rijp worden, wordt de kaas dagelijks

omgewend; bewaart men haar langer, dan gaat men voort met dagelijks

wenden, tot zij vier of vijf maanden oud is. Na dien tijd is eenmaal 's

weeks omkeeren en bij droog weder luchten voldoende.

Sommige kaasmakers, lezen wij bij ENKLAAR, bestrijken de kaas, wanneer

zij veertien dagen oud is, dagelijks met bier of azijn, ook wel met een

aftreksel van saffraan in azijn, waardoor de kaas spoedig kleur krijgt

en de vlieg afgehouden wordt.

Volgens de oude methode wordt de kaas, na 12 uren persen, in pekel

van 15° B. gelegd, en het bovendrijvend gedeelte over zijne geheele

oppervlakte met goed, hard, grof kaaszout bedekt gehouden. In die pekel

blijft zij 2 uren, en wordt gedurende dien tijd eenmaal omgewend. Dan

komt zij in een anderen bak, die pekel van 20° B. bevat, en wordt weder

het bovenstaand gedeelte met zout bedekt. Het omwenden heeft twee malen

in de 24 uren plaats. Na 7 of 8 dagen is het zouten van kazen, die een

gewigt hebben van 10 kilogr., afgeloopen. Ligtere kazen blijven korter

in de pekel, zwaardere langer. Dan wordt de kaas met zuiver water

gereinigd en komt zij in de kaaskamer op schoone, drooge planken.

Eene laatste opmerking en wij stappen van de goudsche kaas af. Zoo als

men weet zijn de verbindingen der caseine met alcalische aarden

onoplosbaar; van die eigenschap heeft men in de industrie partij

getrokken en vernissen gemaakt, welker hoofdbestanddeel kaasstof is. En

daar de kaasstof eene zeer innige verbinding aangaat met den kalk, heeft

men voorgeslagen de gereed gemaakte kaas met kalkmelk in te wrijven;

daarbij wordt de oppervlakte der kaas--de korst--eerst taai, smeerig,

kleverig en later hard. Welligt dat deze methode dan vooral voldoet, als

de kaas oorspronkelijk met zout bedeeld wordt en niet in pekel verwijlt.

Wij kennen haar echter niet bij ondervinding.

* * * * *

Keeren wij nogmaals terug tot het tijdperk der kaasmaking, waarop

de wrongel als een klomp in de kaastobbe ligt, en zien wij hoe men

in Noord-Holland te werk gaat om de zoogenaamde edammer kaas te

vervaardigen. Als leiddraad tot ons onderzoek volgen wij een schrijver,

die den meesten kaasboeren in ons land zeker bekend is, den heer J.

BOUMAN, landman in de Beemster. Hij zegt: »nadat de wei afgeschept is,

volgt eene tweede bewerking, welke men het =kleinzen= of =klienen=

noemt; de wrongel, die nu tot een kluit geworden is, wordt met beide

handen en behulp van den kaasnap geheel fijngemaakt; nu wordt er de warm

gemaakte wei bijgedaan, alles nog eens doorgeroerd en dan in rust

gelaten en gedekt." Men veroorloove ons hier eene opmerking: hoe warm

moet de bijgevoegde wei zijn? Dit wordt niet aangegeven en heeft toch

overwegenden invloed op de deugdzaamheid der kaas.

Als regel mogen wij stellen dat bij lager temperatuur de kaasstof week

en zwammig blijft, dat de afgewerkte kaas week is, spoedig rijp wordt

en zich niet lang laat bewaren. Bij hooger warmtegraad is de kaasstof

digter en men verkrijgt kazen, die langer tijd tot rijp worden noodig

hebben, eerst later verbruikt kunnen worden, maar ook langer goed

blijven. Als regel, door de ervaring gestaafd, zouden wij stellen dat de

wei zoo warm moet zijn, dat de kaasstof eene temperatuur van 37 tot 40°

C. kan aannemen.

»Even daarna," vervolgt BOUMAN, »neemt men het deksel af, =roert= met

den nap de wrongel vaster ineen, plaatst de tobbe in eene hellende

rigting, vult den nap met een keisteen, en legt dien op de wrongel,

dekt de tobbe en laat haar zoo eenige minuten staan." Deze bewerking

geschiedt om de wei uit de wrongel te persen en te verwijderen; wij

stooten derhalve op eene leemte en zouden derhalve bijgevoegd willen

hebben dat de wei afgeschept of afgegoten wordt.

»Daarna," zegt BOUMAN, »volgt eene andere bewerking, waarbij meerdere

hulp gevorderd wordt. Deze noemt men: =uit de wei duwen=, of ook wel:

=in den nap steken=. Nu neemt men zooveel kaaskoppen als er kazen

gemaakt zullen worden; de klomp wrongel wordt nu gelijkelijk in de

kaasvormen verdeeld, stevig met de hand geduwd, om er de nog aanwezige

wei uit te drukken; de nog in de kaastobbe aanwezige wei wordt door de

=weiteems="--een zeef--»in een emmer gegoten en vervolgens in het weivat

gedaan."

»Nu vangt men aan te =kruimelen=; de wrongel wordt in de kaastobbe, en

om het werk te bespoedigen, ook door een tweede persoon in den kaasnap

fijn gemaakt, dan in de vormen stijf ingedrukt en zoo gezegd: =met een

kop er op=, aan de medehelpers overgegeven. Zijn het =kleintjes=, dan

wordt het duwen alleen met de vlakke hand gedaan; doch bij =grooten= en

=middelbaren= gebruikt men tevens ook den =duwer=, waarop men met de

borst drukt. Na lang genoeg op de bovenzijde gedrukt te hebben, ligt men

de kazen uit de vormen en keert ze om; nu worden zij op den lossen bodem

goed =ingekruimeld=, met nog een weinig wrongel aangevuld, en dan weder

aan den helper overgegeven, om zoo lang te duwen en te keeren, totdat

zij vast genoeg zijn. Nu heeft de geduwde kaas den vorm van een cilinder

met bolronde einden. Wordt met het =uit de wei duwen= de wrongel van wei

ontdaan, onder het kruimelen en duwen wordt een melkachtig vocht

verzameld, hetwelk =portel= heet. Ook dit vocht wordt onder het sterk

duwen uit de kaas gedreven."

Deze bewerkingen, welke wij hier aan de hand des heeren BOUMAN

afschreven, dienen om de wrongel van de wei en portel--wei met room--te

ontlasten. Brengt men de wrongel in een houten bak met dubbelen bodem,

zooals wij dit vroeger beschreven, dan spaart men, dunkt ons, arbeid

uit. Het is waar, men heeft bij de beschreven bewerking tevens haren

vorm aan de kaas gegeven, maar dan stuiten wij op een ander, niet minder

gewigtig bezwaar, het toevoegen van het zout. En de hoeveelheid van dit

laatste mag niet langer afhankelijk zijn van wisselvallige factoren,

welke men onmogelijk met juistheid in rekening kan brengen. De

intelligente kaasboer brenge daarom zijn wrongel in een bak, zoo

ingerigt dat de wei kan wegloopen--een bak zooals wij vroeger beschreven

voldoet geheel aan het oogmerk--, bewerke het runsel, totdat de meeste

wei en portel verwijderd zijn, en ga dan over tot het zouten, dat is,

hij menge eene afgewogene hoeveelheid zuiver fijn zout onder de wrongel.

In Noord-Holland houdt men over het algemeen van krachtig zouten. Men

kan zulke kaas natuurlijk langer bewaren, maar de fijne smaak gaat te

loor, bijaldien men het zouten te ver drijft. Op 100 kilogr. runsel 6

tot 10 kilogr. zout is zeker de uiterste grens.

Handboek voor den kaasmaker in Nederland · 第 11 / 16 段