In de kaasfabrieken in Amerika en Engeland heeft men de gewoonte het

zout onder de gekruimelde wrongel te mengen, voor dat de kaas door

persing haren vorm erlangt. Onzes inziens pleit veel voor die

handelwijze; men kan toch met volkomene juistheid de hoeveelheid zout

bepalen, terwijl het in pekel zetten van gevormde kaas veel onzekers

overlaat. Het zout wordt voorts gelijkmatig in de kaas verdeeld, wat

volgens de oude methode niet zoo is. Komt gevormde kaas in pekel, dan

zal dit vocht nu eens sneller, dan weder langzamer, nu eens meer, dan

minder diep doordringen. Hoe weet men bijvoorb. of het hart der kaas

genoegzaam zout heeft opgenomen? Alles gaat hier op de gis. Ook het

wegen van de kaas, voordat zij gezouten wordt, en daarna dagelijks, als

zij in de pekel staat, heft de bezwaren niet op. Men denke, om maar

iets te noemen, aan de endosmotische werking tusschen de pekel en het

vocht in de kaas vervat. De kaasboer, die maar even nadenkt, wordt

gedrongen althans eene proef in die rigting te nemen, en wij durven hem

voorspellen dat het bij die eene proef niet blijven zal. Alleen dan,

wanneer de kaas spoedig spekachtig, rijp moet wezen, laat zich de

handelwijze van het later zouten verdedigen; de ongezouten kaas toch

gaat spoediger in gisting over, is dus sneller rijp, maar men vergete

niet, dat zulke kaas niet lang bewaard kan worden. Maar zelfs in dit

geval kan men zijn doel langs een anderen weg bereiken. Wanneer men

zich herinnert wat wij vroeger over het rijpworden der kaas geschreven

hebben, zal men het zeer natuurlijk vinden, dat men dit proces ook

bespoedigen kan door het bijvoegen van een weinig ammonia bij de

wrongel. Ten overvloede kan men een gering gedeelte van het

zout--keukenzout--door salmiac vervangen. Niets eindelijk belet ons

het zouten een half etmaal, iets korter of langer, naar gelang der

temperatuur, uit te stellen; hierdoor toch heeft men het in zijne magt

het rijpworden te bespoedigen.

De engelschen nemen, op het voetspoor der amerikanen 2,4 tot 2,5

kilogr. zout op duizend liters melk. Het gaat hier als met vele

keukenvoorschriften; de een houdt meer van hartige kaas, een ander

verkiest wat minder zout. In geen geval echter kunnen wij het

voorschrift onvoorwaardelijk goedkeuren, wijl er niet van kaas, maar van

melk gesproken wordt en deze nu eens meer, dan wat minder caseïne bevat.

Misschien ware 5 proc. van het gewigt der kaas wel de geschikste,

gemiddelde hoeveelheid. Het is moeijelijk, zoo mogelijk, juiste

voorschriften te geven; het gebruik is hier regel. Alleen bedenke men

dat de kaas langer goed blijft, wanneer zij iets meer zout bevat, en

voor hem, die kaas ter verzending maakt, heeft deze opmerking hare

waarde.

Na het portelen, wil men, na het zouten is het vormen aan de beurt. In

ons land mengt men onder de magere kaas eene zekere hoeveelheid

kruidnagelen en komijnzaad. De kruidnagelen zijn gedroogde bloemknoppen

van den Caryophillus aromaticus L., een boom van aanzienlijke grootte,

welke voor komt op de Moluksche eilanden, Ile de Bourbon, Ile de France,

West-Indie en Zuid-Amerika. Die, welke uit Ile de Bourbon en Cayenne

komen, zijn de slechtste. Kruidnagelen zijn donkerbruin, gerimpeld, en

bevatten in alle onderdeelen eene rijke hoeveelheid aetherische olie.

Die olie is in kleine kliertjes afgezet, welke men bij het doorklieven

gemakkelijk waarneemt. Reuk en smaak der kruidnagelen zijn bekend.

Kruidnagelen, van welke de aetherische olie of het werkzaam bestanddeel

is afgedestilleerd, zijn vochtig, bijna zwart, zeer rimpelig, minder

aromatisch, en missen het kogeltje van bloembladen.

Het komijnzaad is de vrucht van eene schermplant, Cuminum cyminum L.,

welke uit Egypte afstamt en in Zuid-Europa verbouwd wordt. Dit zaad is

zijn aromatischen reuk en smaak verschuldigd aan eene eigenaardige

aetherische olie, welke in een bepaald gedeelte, in de striemen tot 0,24

proc. vervat is. Men zie toe dat het zaad voldoende gereinigd zij; in

vele soorten toch komen stof, zand en dergelijken voor.

[Illustratie: (fig. 14).]

[Illustratie: (fig. 15).]

De geportelde wrongel komt nu als stijf deeg in het kaasvat (fig. 14).

Zulk vat moet van sterke duigen gemaakt zijn, wijl het onder de pers

veel te lijden heeft. In den bodem zijn gaten geboord, opdat de wei bij

het persen daar een uitweg zal vinden. Op het vat komt een sterk deksel

(fig. 15), dat zeer juist in het vat past en onder de pers met de kaas

naar beneden zakt. Het is bij de komijnde of leidsche kaas gebruikelijk

dat de korst geene specerij bevat. Van daar legt men in het kaasvat

eerst eene laag wrongel ter dikte van ongeveer 5 centim.; deze laag is

bekend onder den naam van blinde of bodemlaag. Op deze laag strooit men

een weinig fijn gehakte nagelen en komijn. Hoe naauwkeuriger men de

specerij verdeelt, des te beter aanzien heeft later de opengesneden

kaas. Velen hebben daarom de gewoonte telken male in de wringkuip

slechts zooveel wrongel of runsel, als voor de volgende laag noodig is,

met de specerij te doorkneden. Op de eerste komt nu een tweede laag,

vervolgens wat komijn en nagelen, dan weder eene laag wrongel, enz.,

totdat het vat of de vorm gevuld is. Men eindigt natuurlijk met eene

ongeveer 5 centim. dikke laag wrongel, opdat ook de bovenkorst vrij zij

van specerij. Nu legt men het deksel, ook volger genaamd, op de wrongel

en brengt het vat onder de pers. Het zij vergund hier de vraag te

opperen of men de specerij niet gelijkmatiger onder het kaasdeeg zou

verdeelen, wanneer men hiertoe gebruik maakte van eenig werktuig, in den

trant bijv. van den boterkneder (fig. 16) afgebeeld. Dat denkbeeld moet

noodwendig bij elk opkomen, die de doorgesneden kaas aandachtig

beschouwt. Zulk werktuig is bovendien aan de zindelijkheid bevorderlijk.

[Illustratie: (fig. 16).]

Men heeft persen van de meest verschillende vormen en afmetingen, maar

wij zouden niet durven verzekeren, dat zij alle voor het hier beoogde

doel even geschikt zijn. Liefst zouden wij drie eischen stellen aan de

pers voor den kaasmaker: eerstens, dat de drukking, welke de pers

uitoefent, langzaam stijgend en aanhoudend kan zijn; ten tweede, dat de

pers overal gemakkelijk en zonder groote kosten kan worden ingerigt,

eindelijk, dat de drukking, naarmate van de grootte der kaas,

naauwkeurig kan worden geregeld. In de meeste gevallen wordt dezelfde

drukking bij groote en kleine kazen aangewend, dezelfde ook, of zich een

of meer kazen te gelijk onder de pers bevinden. Verdeelt men eene

bepaalde drukking over twee oppervlakken, waarvan het eene dubbel zoo

groot is als het andere, dan zal natuurlijk elk deeltje, stel de

vierkante millimeter, van het groote oppervlak met de helft der kracht

gedrukt worden, welke de vierkante millimeter van het kleine ondergaat.

Dit behoeft geene verdere opheldering, maar wij mogen er het gevolg uit

trekken, dat eene bepaalde drukkracht, welke bij een kaas van zeker

oppervlak nog even alle wei verwijdert, te kort zal schieten, wanneer

men grooter kaas of kaas van grooter oppervlak onder de pers brengt. Het

is derhalve van het meeste belang dat men de drukking kent, welke de

pers onder bepaalde omstandigheden uitoefent, en dat men die drukking

verzwaren, maar ook verminderen kan. De heeren MOSER en ROTH hebben,

zonder iets van elkander te weten, door naauwkeurige proeven uitgemaakt,

dat de meest geschikte drukkracht voor de kaassoort, welke ons bezig

houdt, is van 15 tot 21, gemiddeld 18 kilogrammen op een kilogr. kaas.

Gebruikt men eene pers als hefboom van de tweede soort ingerigt, dan

valt het niet moeijelijk de drukking te berekenen, wanneer men kent: den

afstand van het steunpunt tot de as der kaas, die geperst moet worden;

den afstand van het steunpunt tot het loopend gewigt en het gewigt van

dit laatste in kilogr. uitgedrukt. Men vermenigvuldige dit gewigt met

den afstand van het steunpunt tot het loopend gewigt, deele het komend

product door den afstand van het steunpunt tot de as der kaas, en trekke

bij de som het gewigt van den hefboom. Heeft de pers, wat niet zelden

voorkomt, behalve het loopend gewigt nog een gewigt op het uiteinde van

den hefboomsarm, dan berekent men de drukking, door dit tweede gewigt

uitgeoefend, op dezelfde wijze en telt het bij het reeds gevondene voor

het loopend gewigt en den hefboom.

[Illustratie: (fig. 17).]

Niet alle persen zijn van loopend gewigt voorzien; meestal hangt er aan

het uiteinde van den hefboomsarm een bak met steenen bezwaard (fig. 17).

In zulk gebrekkig geval schiet er niets over dan de drukking, zoo goed

het gaan wil te regelen door meer of minder steenen in den bak te doen

en op elken steen een merk te plaatsen, dat het gewigt van dien steen

aangeeft. Men kan ook het vat, waarin de kaas, die geperst moet worden,

zich bevindt, op verschillende afstanden van het steunpunt plaatsen.

Onder overigens gelijke omstandigheden is dan de drukkracht omgekeerd

evenredig met den afstand van kaas en steunpunt. Op den hefboomsarm kan

men dan nommers aanbrengen, welke die afstanden of, wanneer men den

hefboom steeds met hetzelfde gewigt bezwaart, regtstreeks de drukkingen

in kilogrammen aangeven.

Wil men dat de drukking, welke de pers uitoefent, langzaam stijgend zal

zijn--en dit is volstrekt noodig in het geval, dat ons bezig houdt--,

dan kan men niet buiten het loopend gewigt; al te lastig toch zou het

wezen, als men de kaas telken reize onder de pers eene andere plaats

moest geven.

Maar de drukking moet ook aanhoudend zijn, beweerden wij, en niets

natuurlijker dan dat; zij toch is het, welke de kaas vorm geeft en de

wei uitdrijft. Houdt de drukking bij tusschenpoozen op, dan staat ook

dit proces stil. Men zal dus beter, regelmatiger en sneller werken met

eene pers, welker drukking voortdurend is. Is dit zoo, dan bestaat er

gegronde reden om de persen met schroeven, zooals die in Engeland en ook

in Duitschland voorkomen, onvoorwaardelijk af te keuren. De pers van

DRAY maakt hierop eene gelukkige uitzondering; wij hebben haar (fig. 18

en 19) afgebeeld, omdat wij haar houden voor de beste, welke ooit

gemaakt is. De afbeelding is zoo duidelijk, dat zij geene verdere

beschrijving behoeft. Men ziet dat de schroef door een kruk in beweging

gebragt wordt en de drukking voortdurend blijft aanhouden, door het

vernuftig aangebragt mechanisme van het loopend gewigt.

[Illustratie: (fig. 18).]

[Illustratie: (fig. 19).]

Onzen tweeden eisch behoeven wij niet als de andere met klem van redenen

te motiveren; elk een zal ons hier gaarne gewonnen spel geven.

Dit zoo zijnde, keeren wij terug tot de wrongel in het kaasvat. Dit

laatste bevindt zich onder de pers in een vierkant houten kastje of

bakje, waarin de wei bij het persen verzameld wordt. Men begint met eene

zachte drukking uit te oefenen; heeft deze eenigen tijd aangehouden, dan

versterkt men haar door het loopend gewigt op den hefboomsarm meer naar

het uiteinde te verplaatsen, of meer steenen in den bak te brengen.

Eindelijk brengt men het tweede, vaste gewigt, zoo de pers dit heeft, op

zijne plaats, dat is, op het uiteinde van den hefboomsarm, terwijl men

met het loopend gewigt de drukking regelt, liefst ongeveer 18 kilogr.

voor elk kilogram kaas. Zulke krachtige drukking geeft aan de kaas de

hoedanigheid, waardoor zij zoo voordeelig boven andere soorten uitmunt.

De wei, welke zich nog in de kaas bevindt, vloeit onder de sterke

drukking door de openingen in den bodem van het kaasvat naar den onder

staanden bak en kan opgevangen worden in een vat, dat onder de pers

staat.

Heeft de kaas gedurende een paar uren onder de pers gestaan, dan wordt

zij uit den vorm genomen, in een fijn geweven linnen doek gewikkeld en

op nieuw onder de pers gebragt. Men zorge dat de uiteinden of slippen

van den doek zeer gelijkmatig over de kaas gevouwen worden. Na twee of

drie uren persen legt men een schoonen doek om de kaas, welke men tevens

omwendt, en perst haar andermaal een paar uren. Deze bewerking moet men

meestal nog eens herhalen, alleen met dit verschil dat men nu den doek

weglaat, ten einde geen afdruksels der vouwen in de kaas te maken.

Heeft de kaas genoegzamen tijd, meestal gedurende eene nacht, onder de

pers gestaan, dan wordt zij uit den vorm genomen en tusschen twee

planken geperst, om den hoogen stijlen vorm van het kaasvat weg te

nemen, en haar den bekenden, plat ronden vorm te geven. Wil men de kaas

van een merk voorzien, den dubbelen sleutel bijvoorb. of het wapen van

Leiden, dan geschiedt dit gedurende deze laatste bewerking, voor welke

men meestal eene andere, de zoogenaamde zakpers, bezigt. Deze bestaat

uit een bak met gewigten bezwaard, welke door middel van touwen en een

haspel, soms een schroef, langzaam, op de kaas wordt nedergelaten.

Waarom men eene dergelijke pers noodig heeft, is ons niet duidelijk. Met

de pers van DRAY met het loopend gewigt kan men zoo veel en zoo weinig

kracht uitoefenen als men slechts verlangt. Ook is het niet moeijelijk

om eene zuivere regtstandige drukking te verkrijgen; daartoe is alleen

eene soliede bewerking der deelen noodig. Hij, die de door ons

beschreven pers bezit, kan, dunkt ons, de zakpers wel missen. Deze moet

alleen nog daar dienst doen, waar de onvolledige inrigting der andere

pers belet om juist zooveel en zoo weinig drukking uit te oefenen als

men meent noodig te hebben tot het naauwkeurig vormen der kaas. Binnen

24 uren is eindelijk ook deze bewerking afgeloopen.

Wij spreken hier niet over de grootte der kazen; elk kan natuurlijk

zijne kaas zoo zwaar en zoo ligt maken als hij verkiest, of beter, als

zijn belang medebrengt. In den handel worden tegenwoordig kazen van 10

tot 15 kilogr. het meest gezocht. Dit is heden zoo, kan morgen anders

wezen. De amerikanen maken langwerpig vierkante kazen; zij hebben den

vorm van een regthoekig, vierhoekig prisma of parallelopipedum. Met het

oog op het pakken en de verzending biedt deze vorm eigenaardige

voordeelen. Ook voor den winkelier is hij niet te versmaden. Heeft hij

op de toonbank achter het vaste mes, dat tot het doorsnijden der kaas

dient, eene verdeeling in centimet. gemaakt, dan ziet hij met een opslag

van het oog hoe lang het stuk moet worden afgesneden om zijne kalanten

het gevraagde gewigt af te leveren.

Heeft men het zout niet reeds onder de wrongel gekneed, dan moet de kaas

na het verlaten der pers gezouten worden. Daartoe komt zij in een

langwerpig vierkanten bak, met pekel van 15 graden Beaumé of 1,1095

soortelijk gewigt. De bak is zoo diep dat de kaas er vrij in drijven

kan. Men bedekt de bovenzijde met zout, laat de kaas 24 uren in het

vocht verwijlen, keert haar om, bedekt weder de bovenoppervlakte met

zout, en neemt haar, na andere 24 uren, uit de pekel. Dan komt zij in

den zouttrog, een langen, twee decimeters diepen houten bak, in welken

de kaas met zoutkristallen bedekt wordt; deze vervloeijen en de pekel

trekt langzaam in de kaas. Zoo lang de kaas in den zouttrog staat, wordt

zij dagelijks gekeerd.

En wanneer heeft zij genoeg zout opgenomen? Ziedaar een lastig

vraagstuk, alleen bij benadering uit te maken, en waartoe in elk geval

veel ondervinding behoort. Men rekent in het algemeen dat een kaas van

10 tot 12 kilogr. gedurende 10 tot 12 dagen in den zouttrog moet liggen.

Na het zouten wordt de kaas met zuiver water afgewasschen en met een

zwaar, breed mes, het kaasmes, afgeschraapt, waardoor hare oppervlakte

zuiver glad wordt.

De kaas is nu gereed, maar de gewoonte wil dat hare korst eene

bruin-roode kleur zal hebben. Om deze te verkrijgen verwt men de kaas.

Daartoe neemt men orlean in water opgelost, met potasch gekookt en

verdund met biest--colostrum--. Men smeert dagelijks van dit vocht op de

kaas, totdat de verlangde kleur te voorschijn komt. Het aanbrengen dezer

kleurstof heeft ook dit goede, dat de korst beter bewaard blijft.

Wanneer men ten slotte de kaas nog eenigen tijd--drie tot vier weken--op

planken bewaard heeft, is zij genoegzaam uitgedroogd om haar ter markt

te brengen. Anderen laten dit droogen voorafgaan, schrapen dan en

kleuren met orlean.

Het orlean, lezen wij bij OUDEMANS, wordt verkregen door de zaden van

Bixa Orellana L, eene plant uit tropisch Amerika en Oost-Indie, met hun

kleverig overtreksel in water af te wrijven of daarin te laten gisten;

het komt of als een deeg, of droog in den handel. Het heeft in vochtigen

staat een roode, in droogen eene rood-bruine kleur en smaakt bitter,

wrang en zilt. Men heeft de walgelijke gewoonte om orlean met urine te

bevochtigen, deels omdat door ammonia de kleur beter uitkomt, deels om

het door uitdroogen verminderde gewigt te herstellen. Op papier laat

orlean eene geel-roode streep achter. Het smelt niet, maar verbrandt met

heldere vlam. Volgens GIRARDIN mag goed orlean hoogstens 10 proc. asch

achterlaten. In water lost deze kleurstof weinig, in alcohol bijna

volkomen, in alcaliën met eene bloedroode kleur op. Zwavelzuur kleurt

het eerst indigo-blaauw, later groen en eindelijk violet. Orlean bestaat

uit orelline--eene harsige gele kleurstof--, eene rood-gele extractieve

kleurstof, gom, enz. In den handel onderscheidt men cayenne-orlean,

vroeger in koeken, thans als deeg, braziliaansch orlean--deegachtig--,

oost-indisch O.--in koeken--en daarenboven O. in stangen of pijpen. In

den laatsten tijd komt er uit Cayenne eene orleansoort in blikken

bussen, wegende 7 tot 11 kilogr. Deze soort is een vast deeg met 67 tot

70 proc. water; zij laat slechts 5 proc. asch na, terwijl haar kleurend

vermogen het dubbel van het gewone orlean zou zijn.

Voor wij van deze kaas afstappen, willen wij vermelden hoe de chinezen

uit plantenzaden zich kaas weten te bereiden, die eenige overeenkomst

met de behandelde soort heeft. Het bestanddeel der planten, dat in zijne

eigenschappen eenige overeenkomst met de caseine der melk heeft, bevindt

zich in de zaden der leguminosae, voornamelijk in erwten, linzen en

boonen. Men kan het in water oplossen en door zwakke zuren uit de

oplossing nederslaan. Deze zelfstandigheid wordt dan ook planten-caseine

genaamd. De chinezen koken de erwten tot brei, scheiden het vocht door

een zeef af en voegen bij het laatste gipswater om de plantenkaas te

stremmen. Die gestremde kaas, wrongel of runsel, wordt vervolgens op

dezelfde wijze behandeld als de caseine, door lebbe-vloeistof uit de

melk afgescheiden. De massa neemt, volgens ITIER, langzaam den reuk en

den smaak van dierlijke kaas aan.

* * * * *

Wij zijn genaderd tot de beschrijving der wijze, waarop de vette kaas,

de goudsche of stolksche en edammer kaas, gemaakt wordt. Ook hier geven

ons Amerika en Engeland een niet te versmaden voorbeeld. Daar toch heeft

men vele kaasfabrieken opgerigt, welke in ons land nog al te schaars

gevonden worden.

Over het nut van zulke coöperatieve vereenigingen, zegt professor VON

BAUMHAUER, zullen wij wel niet behoeven te spreken; hoeveel arbeid

daardoor wordt uitgespaard, hoe eenvoudig en minder kostbaar de

boerderijen daardoor kunnen worden ingerigt, hoe veel uitgespaard kan

worden door het minder verlies, hetwelk het werken in het klein steeds

veroorzaakt, en in welke mate de producten, door de meerdere gelijkheid

en de grootere zorg, die daaraan besteed kan worden, voor den handel in

waarde toenemen, springt te zeer in het oog, dan dat hierover een lang

betoog noodig is. De hoofdpunten uit de statuten van zulke vereenigingen

vindt men in het Tijdschrift van Nijverheid, 1874, 4^{de} stuk, bladz.

218, medegedeeld door den hoogleeraar VON BAUMHAUER.

De voordeelen eener kaasfabriek zijn derhalve:

1º. grooter gelijkvormigheid in de hoedanigheid der kaas;

2º. verhooging der waarde van de kaas, vooral in melkerijen, waar door

minder goede verpleging van het vee of door het uitreiken van voedsel,

dat te wenschen overlaat, in den regel slechte kaas gemaakt wordt;

3º. vermindering van werk, waarmede wij meer in het bijzonder de vrouw

van den kaasboer geluk mogen wenschen;

4º. verhooging van de waarde van het land.

Slaan wij een oog op zulk eene fabriek, op die te Derbyshire bijvoorb.,

dan zien wij dat de melk van ongeveer 400 koeijen daar dagelijks

verwerkt wordt. De fabriek is zoo gebouwd dat de aangevoerde melk

terstond in eene soort van kelder komt, waar eene zoo veel mogelijk

standvastige temperatuur heerscht. Het kaasmaken geschiedt daar in de

morgenuren. De avondmelk wordt afgekoeld, zoo als wij vroeger reeds

aanstipten, en 's anderen daags bij de morgenmelk gevoegd; beiden worden

nu door stoom tot 28 of 30° C. verwarmd. Die warmtegraad regelt zich

naar het weder, zoodat men bij koeler atmospheer tot 30, bij warmer

weder slechts tot 28° C. gaan mag. Men drage zorg dat het geheel der

melk de standvastige temperatuur hebbe aangenomen, want is de melk op de

eene plaats van het vat warmer dan op de andere, dan verkrijgt men een

ongelijk product en is de wrongel hier en daar taai. Het verlies van

warmte door uitdamping kan men voorkomen door het vat met een deksel,

waarover des noods een dikke doek, af te sluiten. Moet de kaas van

binnen gekleurd worden, dan voegt men nu aan de melk een weinig annatto

of kaaskleursel, dat is, orlean met potasch gekookt, toe. De hoeveelheid

dezer kleurstof hangt af van de gewoonte; in den zomer kan men haar des

noods weglaten; in den winter, wanneer de koe hooi eet, behoeft men

natuurlijk iets meer. Men drage vooral zorg dat de kleurstof door

omroeren zeer gelijkmatig in de melk verdeeld wordt. Dezelfde regel is

van toepassing op het bijvoegen der lebbe-vloeistof of het stremsel.

Over deze stof hebben wij het noodige gezegd in onze algemeene

beschouwingen; wij kunnen haar hier derhalve met stilzwijgen

voorbijgaan.

Na de bijvoeging van het stremsel en het omroeren der melk, zet men het

deksel op het vat, en laat men de melk gedurende 30 tot 40 minuten in

rust. De werking van het stremsel heeft iets sneller plaats, wanneer de

melk min of meer zuur is geworden. Laat men de wrongel te lang staan,

voordat men tot het snijden overgaat, dan wordt zij taai; de beste tijd,

waarop dit geschiedt, is als de caseine vast geworden is, zonder dat zij

eene zekere zachtheid op het gevoel verloren heeft. Alleen ondervinding

kan hier beslissen, want is de wei later troebel witachtig, in plaats

van eene heldere kleurlooze vloeistof, dan is dit een bewijs dat men de

wrongel niet op den juisten tijd doorgehaald heeft.--Ook over het

doorhalen zelf kunnen wij kort zijn; het moet natuurlijk zorgvuldig en

gelijkmatig geschieden, wel snel, maar met weinig beweging in het vocht.

Toen wij over komijnde kaas spraken, hebben wij gewag gemaakt van het

meest daartoe geschikte werktuig en de wijze van behandelen.

[Illustratie: (fig. 20).]

Op de gelijkmatigste wijze geschiedt waarschijnlijk het snijden der

wrongel door het apparaat van KEEVIL, een engelschman. Wij kennen het

niet uit ondervinding, maar een blik op de afbeelding (fig. 20) moet

elk een de overtuiging geven dat men tot heden niets beters heeft

uitgedacht. Wij kunnen dit werktuig niet beter beschrijven dan door te

zeggen, dat in de as van het cilindervormig melkvat een stang staat,

om die as beweegbaar. Denkt men zich een plat vlak door die as gebragt

en regthoekig op dit vlak een tweede, en stelt men zich voor dat die

vlakken gevormd zijn uit louter messen, dan kost het niet veel moeite

om in te zien dat het draaijen van den stang de messen in gelijkmatige

beweging brengt, eene beweging, die door den stand der messen aanleiding

geeft dat de wrongel in schijven, of beter, in dobbelsteenen gesneden

wordt. De messen toch van het eene vlak of den eenen vleugel staan

loodregt, die van den anderen vleugel loopen horizontaal. Boven het vat

is buitendien eene inrigting tot zeven der melk aangebragt, zoo dat niet

dan reine melk verwerkt wordt. Digt aan den bodem van de kuip bevindt

zich een kraan om de wei te laten afloopen. Dit geschiedt in den regel

20 minuten nadat de wrongel gesneden is. Men neemt den stang en de

vleugels uit het vat, spreidt over de wrongel een doek, welke langs de

zijde van het vat tot aan den bodem toe neergedrukt wordt, en bezigt nu

den stang, zonder de messen, om de wrongel te persen, en zoo van

overtollige wei te ontdoen. Men ziet het werktuig is zeer praktisch en

levert volgens GREGORY in Meadow Place Farm--Derbyshire--van 5 tot 10

proc. meer kaas dan de oude, vroeger gevolgde methode.

Voor dat wij van het snijden afstappen zij nog gezegd dat de afstand der

messen zorgvuldig moet worden geregeld. Staan zij verder dan zes of

zeven millim. van elkander, dan erlangt men groote dobbelsteenen, welke

wel iets meer kaas geven, omdat bij het verder beloop der bewerking

minder caseine en minder boter in de wei overgaan, maar de structuur is

open en oneffen, de smaak van de kaas laat te wenschen over, omdat in

die grootere dobbelsteenen meer wei blijft opgesloten, die zeker niet

nalaat in gisting over te gaan. Hoe fijner de wrongel, des te beter

wordt de wei afgescheiden, des te beter smaak erlangt de kaas, en des te

langer kan men haar bewaren. Zelfs het fijn wrijven der wrongel is om

gemakkelijk te bevroeden redenen schadelijk: het mes en het mes alleen

moet zijn pligt doen.

Handboek voor den kaasmaker in Nederland · 第 10 / 16 段