Van de kaas kan men met regt beweren dat zij geen periode van stilstand

doorleeft; langzamerhand bereikt zij het toppunt van deugdzaamheid en

gaat dan weder terug. Wij behoeven hier niet te herhalen dat haar

levensloop zeer verschillend is, naarmate van het verschil in

temperatuur bij het stremmen, den meerderen of minderen graad van

drukking bij het persen, grooter of geringer vetgehalte, enz. Boven

hebben wij die gevallen reeds uiteengezet. Zal het proces tot stilstand

(?) komen, dan kan dit alleen door langzaam uitdroogen geschieden.

Vroeger noemde men de veranderingen, welke de kaas bij het rijpworden

ondergaat, spontane, vrijwillig intredende, omdat zij niet door eene

toegevoegde scheikundige stof ontstaan, maar buiten ons toedoen geboren

worden. Men hield de zuurstof der lucht voor noodzakelijk en meende dat

aan haar de veranderende, ontledende werking was toe te schrijven. Nu

boekt men dergelijke veranderingen op rekening van lagere plantaardige

of dierlijke organismen. Boven hebben wij er de aandacht op gevestigd

dat de kaasstof een zeer gunstigen bodem voor zulke organismen oplevert,

maar de vraag blijft toch onbeantwoord hoe de werking van de oppervlakte

naar het binnenste der kaas zich uitstrekken kan, daar de beste kleine

kazen, zelfs al zijn zij volkomen rijp, toch zuur reageren. Bij velen

begint het rijpworden reeds onder het zouten, en in de pekel kan zich

toch geen organisme ontwikkelen. De schimmelplantjes in sommige

kazen--roquefort, stilton--komen door scheuren in het inwendige.

Over het rijp worden der kaas heeft ook Dr. F. COHN in zijne ~Beiträge

zur Biologie der Pflanzen~ gesproken. Hij noemt dit rijpworden

een echt gistingsproces, dat onder den invloed van organische

fermenten--zymophieten--staat. Deze fermenten komen met de

lebbe-vloeistof in de melk en zijn hoogstwaarschijnlijk in de maag

van het levende dier reeds voorhanden. Zij behooren tot de bacteriën,

Bacterium Termo en Micrococcus.

Gaat het proces van het rijp worden door de bijzondere eigenschappen

eener kaassoort en hooger temperatuur snel van de hand, dan is het

onderscheid tusschen de rijpe schaal en de niet rijpe massa zeer in het

oog vallend, ja, de buitenste laag kan vervloeijen en alcalisch

reageren, terwijl het inwendige nog wit is en blaauw lakmoespapier rood

kleurt. Het vervloeijen is niets anders dan het oplossen van de

alcalische kaasstof in voorhanden vocht; bij sterk geperste en drooge

kaas heeft het niet plaats, en het rijpen gaat hier dan ook zeer

langzaam voort.

Vroeger meende men dat rijpe kaas alcalisch moest reageren, en het

rijpworden zelf een overdragen van ammonia van buiten naar binnen was.

OTTO heeft ons hier uit den droom geholpen. Toen hij las dat PAYEN de

kazen in zure en alcalische indeelde, heeft hij verschillende kazen

onderzocht en bevonden dat ze allen zuur reageerden, behalve overrijpe,

weeke kazen, zooals de neufchateller, welker reactie toch ook slechts

zwak alcalisch was. Hij vond zuur: de hollandsche, de zwitsersche, de

chester, stilton, parmesaan, de kruidenkaas, ja, zelfs de weeke

strachino en de met schimmel bedekte roquefort, die volgens PAYEN

alcalisch is. OTTO kan daarom de meening van PAYEN niet deelen dat het

rijpen der kaas nu eens door organismen zou zijn veroorzaakt--bij de

alcalisch reagerende--, dan weder op andere wijze--bij de zure kaas--zou

tot stand komen. Hij geeft echter gaarne toe dat bij weeke kaassoorten

werkelijk gisting met vorming van ammonia kan ontstaan, eene gisting

door dierlijke organismen te voorschijn geroepen.

Dat het rijpen, het spekkig worden der kaas werkelijk berust op

verminderde zure reactie, heeft TROMMER bewezen. Neutraliseert men het

zuur bij witte kaas, dan verkrijgt zij alle eigenschappen der rijp

gewordene. Het best geschiedt dit met koolzure ammonia. De wrongel moet

voor dit doel digter gemaakt worden, hetzij door verwarmen der wei,

hetzij door het bijgieten van heet water; vervolgens perst men haar, in

linnen of in grof vloeipapier gewikkeld, om zooveel doenlijk de wei te

verwijderen. Neemt men weeke of zwammige wrongel, dan vervloeit de kaas.

Men kruimelt de wrongel, vermengt haar met het noodige zout, des noods

met specerijen, en kneedt er bij kleine gedeelten de koolzure ammonia

goed onder. Weldra wordt de massa doorschijnend, spekkig en elastisch.

De kaas is dan gereed; men drukt haar in den vorm, die vochtig gemaakt

is om het aanhangen te beletten, en weldra hebben de deeltjes den

noodigen zamenhang. Laat men haar gedurende eenigen tijd op eene

luchtige plaats staan, dan is zij spoedig droog en als handelswaar

leverbaar. OTTO heeft met uitstekend gevolg die proef herhaald; hij

maakte door toevoeging van grooter of kleiner hoeveelheid koolzure

ammonia de kaas meer of minder scherp, zonder dat het schaadde dat de

kaas min of meer alcalisch reageerde. OTTO nam de proef meermalen op het

college; de heeren studenten lieten zich de zoo bereide kaas goed

smaken.

Het maken van nederlandsche kaas.

Tot hiertoe spraken wij over kaas in het algemeen; wij moeten nu

trachten de regelen op te sporen voor het vervaardigen van nederlandsche

kaas.

De kaas in Nederland kan men geschikt tot twee soorten brengen, de vette

namelijk en de magere kaas. Om de eerste te bereiden neemt men meestal

de melk, zooals zij van de koe komt; voor de laatste moet de melk eene

bijzondere bewerking ondergaan: zij wordt afgeroomd. Dit geschiedt

natuurlijk niet om kostbaarder kaas te erlangen, maar om boter uit den

room te halen.

Wij willen met de magere kaas aanvangen en maken in de eerste plaats

melding van het afroomen.

Staat de melk eenigen tijd rustig aan haar zelve overgelaten, dan

stijgen de vetbolletjes als soortelijk ligter naar boven en verzamelen

zich op de oppervlakte der melk. Hoe sneller dit geschiedt, des te beter

en zuiverder is de room, des te zoeter blijft de melk. Duurt het proces

langer, dan wordt de bovenste laag room drooger, wankleurig, en de

onderstaande melk zuur. Van het meeste belang derhalve is het alles zoo

in te rigten, dat de room zich in den kortsten tijd afscheidt. Vroeger,

en ook thans nog, bezigde men vlakke vaten, zoogenaamde melkmouten.

(fig. 1). In zulke lage vaten behoeft elk vetbolletje slechts een

geringen weg af te leggen om de oppervlakte te bereiken. Men ging toen

vooral uit van een mechanisch principe. Tegenwoordig doet men dit nog

wel, maar de scheikundige werking wordt niet buiten rekening gelaten.

Liet men vroeger de melk dagen lang staan om de geringste deeltjes room

niet te verliezen, waarbij, dit zij tusschen twee haakjes gezegd, de

magere kaas waarlijk niet in deugdzaamheid won, tegenwoordig is het

afroomen in 12 tot 24 uren afgeloopen.

[Illustratie: (fig. 1).]

In Engeland koelt men daartoe de melk ten spoedigste af door vlakke

tinnen vaten--twee voor elke koe--in bakken met stroomend water te

zetten. Te Derbyshire acht men de geschiktste temperatuur die van 14° C.

Lager dan tot 9° C. koelt men daar niet af, en de tijd van afroomen is

hoogstens 24 uren. De melk 's morgens aangevoerd staat 24 uren te

roomen, de avondmelk wordt na 12 uren afgeroomd. Hierdoor blijft er wel

eenige room terug, maar de kaas wordt er beter door. Wat op elk gegeven

tijdstip het voordeeligst is, moeten de loopende prijzen van boter en

kaas beslissen.

De nieuwste en beste methode is door een zweed, den grondeigenaar

SWARTZ, en een noor, den heer DAKE ingevoerd. Volgens SWARTZ geschiedt

de afscheiding van den room het spoedigst en het meest volkomen bij eene

temperatuur van 4° C., den warmtegraad namelijk, bij welken het water

zijne grootste digtheid heeft. Bij deze temperatuur vindt de zoo

gevreesde scheikundige omzetting der melk niet plaats, en zij kan

gedurende twee of drie dagen gemakkelijk zoet worden gehouden. SWARTZ

verkrijgt deze lage temperatuur gedurende het geheele jaar door het

gebruik van ijs, waarin de van blik vervaardigde bakken, welke de melk

ter roomafscheiding bevatten, worden geplaatst. De geheele methode is

uitvoerig beschreven en met platen opgehelderd door den hoogleeraar E.

H. VON BAUMHAUER, in het tijdschrift, uitgegeven door de nederlandsche

maatschappij van nijverheid, jaargang 1874, vierde stuk. Regt jammer is

het dat ons land geen koud stroomend water oplevert, zooals dit in de

beken in Zwitserland gevonden wordt. Het aanleggen van een ijspakhuis,

al geschiedt dit ook boven den grond, is aan vele bezwaren verbonden, te

meer wanneer men berekent dat men voor elken liter melk een kilogram ijs

noodig heeft. Die over dit bezwaar kan henen stappen, raden wij zeer aan

het stuk van den heer BAUMHAUER te lezen; hij zal vinden dat uit de

koude melk 10 proc. meer boter verkregen wordt dan uit de warme. Ook het

afroomingsproces gaat snel van de hand. SCHATZMANN teekent aan dat 144

kilogrammen melk bij 4° C. geven:

na de eerste 12 uren 5,30 kilogr. room,

» » tweede » » 0,17 » »

» » derde » » 0,06 » »

Deze methode levert ook nog het gewigtig voordeel op, dat de vlakke

kleine melkmouten vervallen en plaats maken voor uit goed vertind blik

vervaardigde bakken, die bij eene hoogte van 50 centim. een inhoud van

50 liters hebben en meestal tot 45 centim. of met 45 liters melk gevuld

worden (fig. 2). In onze figuur zijn twee bakken met melk gevuld

afgebeeld; zij staan in een grooteren bak met ijs gevuld; ter zijde en

iets hooger staat het roomvat; een houten brug ligt tusschen beide

vaten, opdat er bij het afscheppen van den room niets zal verloren gaan.

Dat afroomen geschiedt door een lepel, afgebeeld in (fig. 3). Eindelijk

ziet men in (fig. 4) hoe een ijskelder boven den grond kan worden

aangelegd. De schotsen ijs rusten op een rooster en zijn ter zijde en

van boven bedekt met eene dikke laag zaagsel, dat de warmte afkeert. De

schaduwzijde is dat men de melk tot den uitersten grens van alle vet

berooft en, dit doende, kaas erlangt, die minder marktwaarde heeft.

[Illustratie: (fig. 2).]

[Illustratie: (fig. 3).]

Om het gewigt der zaak vermelden wij hier nog kortelijk wat de heer

WALLIS uit Dybeck, door eigen ervaring geleerd, over dit onderwerp

schrijft. Ook deze onderzoeker komt tot het resultaat, dat men door

afkoeling der melk tot 4° C. de meeste boter verkrijgt. Maar al was

dit zoo niet, dan levert deze afkoelingsmethode nog zoo vele andere

voordeelen op, dat zij ongetwijfeld boven de oude wijze van handelen de

voorkeur verdient, hetzij men boter-, hetzij men kaasmaken op het oog

hebbe. WALLIS beweert dat men niet gemakkelijk eene betere methode zal

uitvinden, maar hij laat er, ongelukkig voor ons land, op volgen, dat

zij vooral te huis behoort in landen, waar men over ijs of koude bronnen

kan beschikken. Gaarne geven wij hem toe dat het zuiver houden van

weinige, grootere blikken vaten met veel minder moeite verbonden is dan

het reinigen der tegenwoordig in gebruik zijnde melkmouten. Voorts wijst

WALLIS op het voordeel dat men geen gevaar loopt van zure melk. Niet

alleen voor den boer, die zijne melk in de stad verkoopt, is dit van

gewigt, maar ook de kaas is beter, minder tot ontleding geneigd en laat

zich langer bewaren. Ook de gekarnde room kan tot bereiding der kaas

gebezigd worden, waardoor men de hoeveelheid van dit product

vermeerdert.

[Illustratie: (fig. 4).]

Dat de boter fijner en aangenamer van smaak is, zal wel niemand

betwijfelen, die bedenkt dat het terugblijven van kaasstof en melksuiker

in de boter de oorzaak is van het ransig worden. Onderzoekt men boter

volgens de oude methode vervaardigd, dan vindt men dat zij tot 3 proc.

dier schadelijke inmengselen bevat, terwijl de boter, volgens de

afkoelingsmethode van SWARTZ verkregen, hoogstens een proc. kaasstof en

melksuiker aantoont. In ons land bezigt men van steen gemetselde bakken,

welke met welwater uit de pomp gevuld worden, en waarin de melk eenigen

tijd ter afkoeling verblijft (fig. 5), of men laat de melk in een put

zakken, met welwater gevuld (fig. 6).

[Illustratie: (fig. 5).]

Maar genoeg over het afkoelingsproces; elk roeije met de riemen, die hij

heeft, maar houde onder het oog dat, naarmate hij sneller afkoelt en

digter bij 4° C. komt, naar die mate boter en kaas beter worden.

Geschiedt het karnen van den room terstond nadat hij is afgeschept, dan

kan men de karnemelk bij de andere, de afgeroomde, in N.-Holland getapte

melk genaamd, voegen, en tot de kaasbereiding overgaan.

[Illustratie: (fig. 6).]

Toen wij over het kaasmaken in het algemeen spraken, zagen wij dat veel

afhangt van de temperatuur, waarop de melk met de lebbevloeistof, het

stremsel, behandeld wordt. In ons land is veeltijds de vinger van de

melkmeid de warmtemeter, en hoe bedriegelijk deze is, hebben wij vroeger

aangetoond. Dat moet veranderen, de boer moet er zijn eer in stellen

goede kaas te maken; zoo bevordert hij tevens zijn voordeel, wat

waarschijnlijk even zwaar weegt.

In de kaasfabrieken in Amerika en Engeland verwarmt men de afgeroomde

melk met stoom; die stoom komt niet in de melk, wat noodeloos de

hoeveelheid vocht zou vermeerderen, maar hij strijkt van buiten langs

de wanden der vaten en verhit het koelwater. Hierdoor verkrijgt men

eene zeer regelmatig verdeelde warmte. Hij, die niet over stoom kan

beschikken, moet tot het gewone vuur zijne toevlugt nemen en, of de

geheele hoeveelheid melk verhitten, of een zeker gedeelte boven het vuur

brengen, zoodat dit, aan de overige melk toegevoegd, den verlangden

warmtegraad oplevert. De ondervinding in Amerika, in Engeland en ook in

ons vaderland opgedaan, leert dat 28° tot 30° C. de meest geschikte

temperatuur is om de melk met de lebbevloeistof in aanraking te brengen.

Men kiest den lageren graad in den zomer, den hoogeren in den winter.

Heeft men den verlangden graad op den thermometer, die zoo ingerigt kan

of moet zijn, dat hij op de melk drijft, afgelezen, dan sluit men den

stoom af of neemt den ketel van het vuur.

Hoe hoog moet men een gedeelte zijner melk verhitten, opdat dit gevoegd

bij den geheelen voorraad dezen tot 28° C. brenge? Die vraag is van

belang voor boeren, die hunne melk niet in groote ketels boven het vuur

kunnen hangen; zij is bovendien gemakkelijk te beantwoorden:

Stel, men hebbe ~a~ liters melk, welke tot 28° C. moeten verwarmd

worden; dat geeft ~a~ maal 28 warmte-eenheden; de thermometer wijst

aan dat de melk ~t~° C. warm is, dat zij ~a~ maal ~t~ warmte-eenheden

heeft. Is ~t~ kleiner dan 28, dan komt zij warmte-eenheden te kort;

trekt men ~a~ maal ~t~ af van ~a~ maal 28, dan vindt men het getal

warmte-eenheden, welke bij de melk gevoegd haar op 28° C. brengen.

Verhit men nu een gedeelte der melk, stel ~m~ liters, tot ~t´~° C., dan

komt het er op aan om ~t´~ zoo te bepalen dat ~a~ maal 28 verminderd

met ~a~ maal ~t~ gelijk worde aan ~m~ maal ~t´~. Daartoe trekke men

~a~ maal ~t~ af van ~a~ maal 28 en deele men het verschil door ~m~.

Men mete dus zijne melk en bepale ook haren warmtegraad; het getal, dat

de thermometer geeft, vermenigvuldige men met het aantal liters; ook

vermenigvuldige men 28 met het aantal liters, en trekke beide producten

van elkander af; ten slotte deele men het verkregen getal door het

aantal liters, dat men boven het vuur wil brengen. Die deeling geeft

het getal graden aan, dat de thermometer in de melk, welke boven het

vuur komt, moet aanwijzen. Meestal neemt men de melk iets warmer, omdat

men verliezen van warmte te bestrijden heeft. Wil men, ten anderen,

weten hoe veel melk men tot een bepaald aantal graden, tot 75° C.

bijvoorb., moet verhitten, opdat deze bij den voorraad gevoegd het

geheel tot 28° C. verwarme, dan vermenigvuldige men weder het aantal

liters melk, waaruit de kaas zal gemaakt worden, eerst met 28, dan met

het aantal graden op den thermometer afgelezen, trekke beide producten

van elkander af, en deele door 75. In algebraische teekens heeft men:

a (28-t) = mt´ en t´ = a/m (28-t);

of t´ = 75 nemende, 75 = a/m (28-t) en m = a/75 (28-t)

Men houde in het oog dat de melk in geen geval tot het kookpunt mag

worden verhit.

[Illustratie: (fig. 7).]

[Illustratie: (fig. 8).]

Wijst de thermometer den gezochten graad, tusschen 28 en 30° C. aan, dan

voegt men het stremsel bij de melk. In onze algemeene beschouwingen

hebben wij het noodige over de lebbevloeistof aangevoerd; hier derhalve

kunnen wij kort zijn. Alleen willen wij doen opmerken dat het van belang

is de lebbevloeistof en snel en gelijkmatig door de melk te verdeelen;

daartoe moet de laatste derhalve met een nap of op andere wijze

omgeroerd worden. Is dit geschied, dan dekt men het vat met een deksel

en een doek, om zoo lang mogelijk de warmte te bewaren. Na 40 tot 60

minuten is het proces van het stremmen afgeloopen; gedurende al dien

tijd laat men de melk met rust, opdat de wrongel gelijkmatig gevormd zal

worden. Daarna ga men over tot de verdeeling der kaasstof, van welke

bewerking, ook het snijden of doorhalen genaamd, veel afhangt. Wordt zij

ruw en ongeschikt gedaan, dan verkrijgt men later eene mindere soort van

kaas, die spoediger aan bederf onderhevig is. Men gebruikt in ons land

meestal de harp (fig. 7), welke in alle rigtingen door het kaasvat

gevoerd wordt (fig. 8). De amerikanen zijn ons ook hierin voor geweest;

zij verdeelen de kaas niet door met een nap het vocht om te roeren; ook

trekken zij door de wei geene harp met ronde koperen draden bespannen,

neen, zij snijden de wrongel in den letterlijken zin van het woord.

Daartoe hebben zij een aantal scherpe stalen messen, welke in een raam

gevat zijn, zoodat de bladen op afstanden van 7 tot 8 millim. evenwijdig

loopen. Zulk raam wordt zeer omzigtig door de kaastobbe gevoerd en de

kaas in lagen verdeeld, die verticaal loopen; herhaalt men de bewerking

loodregt op de eerste rigting, dan ontstaan er zoo vele vierkante

blokken, die alle regt op staan. Die blokken, alle den vorm van een

prisma of parallelopipedum hebbende, moeten loodregt op de rigting der

assen andermaal verdeeld worden, opdat er kleine blokjes, cuben of

dobbelsteenen zullen ontstaan (fig. 9). Daartoe heeft men in Engeland

uit Amerika een ander stel messen ingevoerd. Liepen de eerste messen

verticaal door het melkvat, deze zijn zoo ingerigt, dat hunne snede

horizontaal gaat. Ook zij staan op afstanden van 7 tot 8 millim. van

elkander.

[Illustratie: (fig. 9).]

Wil men een vierkant raam halen door een rond vat, dan levert dit

eigenaardige moeijelijkheden op; niet in elk gedeelte van het vat zal de

kaasstof op gelijke wijze gesneden zijn; het verwondert ons daarom dat

men geen vierkante of langwerpig vierkante bakken om de kaas te snijden

zich aanschaft. Met zulken vorm vervallen alle bovengenoemde bezwaren.

Is de kaasstof behoorlijk verdeeld, dan wordt de stoomkraan geopend om

wei en caseine langzaam tot 36° C. te verwarmen. Heeft men het kaasvat

aan een kraan hangen, dan wordt het boven het vuur gedraaid en verwarmd,

tot de thermometer genoemden graad aangeeft. In kleine boerderijen laat

men de wrongel gedurende eenige oogenblikken rustig bezinken, neemt een

gedeelte der bovenstaande wei af, en verwarmt die zoo hoog, dat zij, bij

de overige wei en kaasstof gevoegd, dit mengsel op de temperatuur van

36° C. brengt. Onze boven gegeven formule kan ook hier van dienst zijn

om den graad van warmte te bepalen, welken de afgegoten wei moet

aannemen, zal zij de kaasstof tot de verlangde temperatuur brengen. Men

menge de heete wei omzigtig met de kaasstof, zorgende dat men nooit

boven 36° C. verhit en dat de wrongel niet aaneenpakt. Gedurende de

verwarming moet men voor gestadige en langzame omroering zorgen. Wordt

de warmtegraad hooger, dan erlangt men kaas, die te vast, te digt is. Is

de temperatuur lager, dan is de wrongel week en zwammig en de kaas wordt

te spoedig rijp, kan niet lang bewaard blijven.

Hollandsche schrijvers raden aan om bij 15 liters geroomde melk ongeveer

een liter gekarnde--dat is, in dit geval, zure--melk te doen. Deze geeft

aan de kaas eene zekere kortheid en ontneemt haar hare taaije

hoedanigheid. Voegt men er meer gekarnde melk aan toe, dan wordt de kaas

te brokkig.

Is de wrongel vast, dan wordt de wei afgegoten. In de fabriek geschiedt

dit door een hevel; het weivat is daar een gemetseld bekken, dat lager

ligt dan de kaastobbe. De wrongel komt dan op een vergiet, opdat zij

uitdruipen en bekoelen zal. Op het land, buiten de fabriek, schept men

de wrongel in een tobbe, de wringtobbe genaamd (fig. 10).

[Illustratie: (fig. 10).]

In die tobbe ligt een doek van los weefsel, dat de wei gemakkelijk

doorlaat. Heeft men op dien doek zoo veel wrongel geschept als men voor

een kaas meent noodig te hebben, dan draait men de vier punten van den

doek in een, en perst en drukt, zoo veel de kracht der spieren dit

toelaat, om de wei te verwijderen. Om dit werk gemakkelijk te verrigten

heeft men een berrie onder den doek met wrongel geschoven; de wringboot

met berrie en doek wordt nu tegen een der stijlen van den stal of tegen

den muur gezet, waaraan een sterke houten klamp bevestigd is. Om de wei

nu nog sterker uit het kaasrunsel te wringen, wordt er een sterke plank,

de kaaswip genaamd, opgelegd en het eene einde der plank onder gezegden

klamp geschoven, terwijl de kaaswringer op het andere einde gaat zitten

en gestadig op en neder wipt. In andere streken geschiedt dit werk met

eene pers, de weipers genaamd.

Eerst laat met het kaasrunsel onder ligte drukking staan, dan wordt het

met de hand gekruimeld, op nieuw onder de pers gebragt, en beide

handgrepen zoo vaak herhaald, tot alle weideelen voldoende zijn

verwijderd.

De wrongel is nu droog en men brengt haar in de tobbe tot eene fijne,

kruimelachtige zelfstandigheid. In Amerika en in Engeland geschiedt dit

kruimelen door middel van een molen, den wrongel- of runselmolen genaamd

(fig. 11, 12 en 13).

[Illustratie: (fig. 11).]

[Illustratie: (fig. 12).]

[Illustratie: (fig. 13).]

Op vele plaatsen van ons land wordt het kaasdeeg na het kruimelen

met de voeten getreden, op ongeveer dezelfde wijze als nog vele

roggenbroodbakkers te werk gaan. Men noemt dit het portelen der kaas.

Het voorschrift luidt dat de portelaar zijne voeten regt helder zal

afwasschen, voor dat hij dit werk begint; maar of dit altijd geschiedt,

mogen wij met eenigen grond in twijfel trekken. Wij hebben voeten en

beenen gezien, die weinig blijken van helderheid gaven, zoo zelfs dat

men met waarschijnlijkheid kon aannemen dat de huid in geene 14 dagen

met water in aanraking geweest was. De waarheid gebiedt ons er bij te

voegen dat die voeten aan een roggenbroodbakker, niet aan een portelaar

behoorden, maar of nu de laatste de zindelijkheid altijd zoo ver drijft,

als in dit geval noodig is, moet nog uitgemaakt worden. Maar er is meer,

laat de portelaar in het reinigen zijner voeten zoo omzigtig zijn als

maar mogelijk is, hij kan niet beletten dat hij onder het zware werk

begint uit te wasemen, en het zweet der voeten bevat boterzuur, dat door

deze bewerking in de kaas komt en aanleiding kan geven tot gebreken. Het

kruimelen en portelen op werktuigelijke wijze te verrigten is derhalve

in elk geval verre te verkiezen, al laten wij nog buiten rekening dat de

massa gelijkmatiger verdeeld wordt en meer homogeen is.

Handboek voor den kaasmaker in Nederland · 第 9 / 16 段