Op vele plaatsen wordt het melkgereedschap eerst met koud water

uitgespoeld, daarop met houtasch en stroowisschen of schuurbiezen

gereinigd en ten slotte met heet water behandeld. Wij hebben hier niets

op aan te merken, maar zagen tot ons leedwezen menigmaal dat de melkmeid

het vaatwerk afspoelde in de sloot waarin op geringen afstand het

sekreet uitliep: zulk eene handelwijze kan niet genoeg gewraakt worden.

Is het verwen in het algemeen nadeelig, er bestaat eene methode van

kleur geven aan het hout, welke hier overweging verdient. Behandelt men

hout met eene krachtige oplossing van overmangaanzure kali--permanganas

potassae--, dan wordt het zwart; de werkman noemt dit het bijten van

het hout en maakt op die wijze nagebootst ebbenhout. Men heeft hier

niet te doen met een vernis, dat gemakkelijk los laat, zooals de verf,

neen, de stof heeft zich met de houtvezel verbonden. Melkvaten, op deze

wijze van binnen toebereid, zijn zeer zindelijk; men herkent op de

zwarte kleur de minste onreinheid van de melk afkomstig. Spoelt men

nu en dan het vaatwerk met eene slappe oplossing van dit zout uit, dan

kan men verzekerd zijn dat de oppervlakte volkomen gereinigd is. De

overmangaanzure kali toch is eene krachtig oxyderende stof, welke elke

organische verbinding ontleedt. In oplossing dringt zij in de porien

en scheuren van het hout en neemt ook daar smetstoffen en

ontledingsproducten weg.

In het tijdschrift voor nijverheid vindt men de volgende doelmatige

voorschriften om eikenhouten vaten te reinigen en van looistof te

ontdoen:

1º. vulle men de nieuwe vaten met eene potaschoplossing, waarbij in

twintig kan water een kilog. potasch wordt ontbonden, en late die er 24

uren in staan. Daarna giet men de loog uit en gebruikt ze voor andere

vaten, waarbij steeds een weinig bijgevoegde potasch de werking der loog

moet in stand houden;

2º. gebruike men eene oplossing van fijn gestooten aluin in water, een

kilog. op twintig kan. De oplossing kan in heet water geschieden. Het

vocht blijft 24 uren in het vat; daarna uitgegoten kan het andermaal tot

dezelfde bewerking gebruikt worden. Men laat nu de vaten 24 uren droogen

en spoelt ze daarna met schoon water uit.

Om te weten of genoemde bewerking bij de vaten goed is geschied--want

dit is niet door eene kleursverandering te bespeuren--, late men een

droppel sulphas oxyduli ferri--zwavelzuur ijzeroxydule--oplossing in het

vat vallen, bedekke die plaats met papier, dat door een heet ijzer

verwarmd wordt, als wanneer het geene zwarte vlekken mag geven.

Heeft men plan magere kaas te maken, dan wordt de melk afgekoeld en na

langer of korter verwijl afgeroomd. Maakt men vette kaas, dan neemt men

de melk, zoo als zij van de koe komt, voegt er soms zelfs room aan toe.

Halfvette kaas heet die, welke van gedeeltelijk geroomde melk is

vervaardigd.

In elk der genoemde gevallen moet de kaasstof uit de melk worden

neergeslagen; men noemt dit het stremmen van de melk. Dit stremmen kan

door zuren en de lebbe-vloeistof--het stremsel--geschieden. Boven

hebben wij het verschil opgegeven dat er bestaat tusschen kaasstof op de

eene en andere wijze afgezonderd, en gezien dat de kaasmaker tot heden

verpligt is zich van de lebbe te bedienen. ~Inde lacrymae~, zou de

dichter zeggen.

De lebbe komt in den handel in gedroogden staat voor in bossen van 25

stuks magen. Men heeft om deze stof toe te bereiden zeer vele en zeer

zamengestelde voorschriften: de vierde maag van nuchtere of nog zuigende

kalveren wordt onmiddelijk na het slagten zorgvuldig gereinigd, met

zout ingewreven, soms in strooken gesneden, en in de zon of in den

schoorsteen gedroogd. Anderen hakken de maag fijn, mengen haar met zout

en peper, vormen er ballen van en droogen die. De gedroogde lebbe moet

liggen, soms een jaar en langer, want door ouderdom, beweert men, neemt

hare deugd toe (?).

Om het stremsel te bereiden, zegt BOUMAN, worden de lebben een voor een

met een scherp mes, op een ned. duim afstand, van boven tot beneden

dwars door gekorven, vervolgens met zuivere pekel in een vat gedaan.

Gewoonlijk neemt men, volgens hem, 1-1/2 kan pekel voor iedere leb. Het

is noodig dat men steeds zorge eene genoegzame hoeveelheid stremsel in

voorraad te hebben. Men make derhalve maar niet te weinig te gelijk; het

werkt toch beter en krachtiger, naarmate het ouder wordt (?). In eene

toegevoegde noot wijzigt de heer BOUMAN zijn voorschrift nog eenigzins;

hij zegt: voor een vat van 60 ned. kannen inhoud neme men 50 lebben van

de beste soort, vulle het vat met zuivere, heldere pekel van 20 tot 25

graden. Deze hoeveelheid is voldoende voor duizend kaasjes, wegende 2000

ned. ponden. En op eene andere plaats: men neme zoo ten naastenbij 2

maatjes op de 100 ned. kannen melk, al naar dat het stremsel sterk is.

HERREWIJN neemt 25 lebben op 7 kilog. pekel van 15 graden en voegt bij

100 kannen melk 33 grammen van dit vocht. Men ziet, de verhoudingen

loopen nog al uiteen, en men komt nader tot die overtuiging, naarmate

men meerdere, ook buitenlandsche schrijvers raadpleegt. Maar dit maakt

nog minder uit, omdat men van sterker stremsel natuurlijk eene mindere

hoeveelheid gebruikt. Wie verzekert ons echter dat het kalf, welks maag

wij gebruiken, gezond was, dat die maag zorgvuldig werd gereinigd, in

een woord, zoo behandeld, dat het werkzaam bestanddeel--de pepsine of

chymosine--niet geleden heeft? Laat het zouten te wenschen over, of het

droogen, dan moet er ontleding volgen. Men behoeft slechts eenmaal in

een lebbe-pakhuis geweest te zijn om voor altijd de overtuiging mede te

dragen dat hier ontbinding in het spel is: dien stank vergeet men zijn

leven lang niet. Geschiedt het droogen in den schoorsteen, dan neemt de

lebbe creosootachtige stoffen uit den rook op, welke, ja, de ontbinding

tegen gaan, maar waarschijnlijk ook ontledend werken op het werkzaam

beginsel.

Niemand zal in ernst beweren dat in de gedroogde lebbe meer en beter

stremsel voorkomt, dan in de versche maag uit een gezond kalf genomen.

Het ware daarom zeer te wenschen dat het werkzaam beginsel der lebbe, of

het stremsel, uit de versche maag genomen en in pekel opgelost in den

handel verkrijgbaar ware. De fabriekant kon er dan voor instaan dat eene

bepaalde hoeveelheid van zijn vocht eene andere, evenzeer bepaalde

hoeveelheid kaasstof uit de melk afzondert. Is hij eerlijk, en zijn

voordeel brengt mede dit te zijn, dan zal hij naauwkeurig acht geven op

elke maag, die door zijne handen gaat; gebrekkige, verlegene, of die,

welke reeds in ontbinding overgaan, die, welke tegen het licht gezien

blaauwe plekken hebben, in een woord, alle aan welke iets hapert, zal

hij uitschieten en zoo den kaasboer gelegenheid geven om een aantal

gebreken in zijn kaas te voorkomen.

Er is nog iets: de lebbe-vloeistof wordt door den boer door eene zeer

fijne zeef of doek gegoten, opdat alle dierlijke vezelachtige

zelfstandigheden worden weggenomen. Zoo schrijft HERREWIJN; bij BOUMAN

vinden wij van dat doorgieten met geen enkel woord gewag gemaakt;

even min bij ENKLAAR. Geschiedt het altijd? Wij hebben reden het

te betwijfelen, maar ook al heeft het plaats, wij meenen dat het

onvoldoende is. Beter ware het dan nog zijn toevlugt te nemen tot een

hevel, waarmede men de bovenstaande heldere vloeistof aftapt; maar elk,

die met organische stoffen gewerkt heeft, zal ons toegeven dat het rein

daarstellen dezer vloeistof in de werkplaats van den scheikundige

behoort te geschieden.

Het stremsel, door den heer LEMKES uit Edam in den handel gebragt,

schijnt de zuivere pepsine of chymosine in pekel opgelost te zijn. Een

kan van dit heldere vocht stremt tweeduizend kannen melk.

Voor wij van het stremmen afstappen zij hier nog opgemerkt dat, volgens

de Allg. Zeit., het stremmen der melk wordt belet door een bundeltje

kruisemunt daarin te leggen; volgens anderen is de nabijheid van dit

plantje reeds voldoende om het verschijnsel te voorschijn te roepen. Wij

hebben nimmer de proef genomen.

Een intelligent kaasmaker weet van hoeveel belang het is dat de melk

hare natuurlijke warmte zoo lang mogelijk behoudt. In weerwil van alle

voorzorgen is men vaak genoodzaakt zijn toevlugt tot kunstmatige warmte

te nemen. Men verhit een deel der melk en voegt het dan bij den overigen

voorraad opdat het geheel een warmte van 28 tot 35° C. hebbe. Men

vergete hier niet dat wij in dit hoofdstuk schrijven over het kaasmaken

in het algemeen; voor den nederlandschen kaasboer is de warmtegraad 35°

C. te hoog, gelijk later blijken zal. De temperatuur bij welke de melk

met het stremsel in aanraking komt, oefent op de eigenschappen der kaas

den gewigtigsten invloed uit. Vele boerinnen hebben de kwade gewoonte om

den warmtegraad op het gevoel af te bepalen. Eilieve, gij die dat doet

en heftig voorstaat, steek uwe eene hand eens in goed warm, de andere in

koud water en daarop beiden in laauw water. De hand, die met het warme

water in aanraking was, zal u zeggen dat het laauwe koud, die, welke in

het koude water verwijlde, dat het laauwe heet is. Wie heeft hier nu

gelijk? Immers geen van beiden en de thermometer alleen kan het pleit

beslissen. Daarom zie men niet op tegen de kosten van een paar gulden en

de moeite om den warmtemeter geregeld te raadplegen, voor dat men

overgaat tot het stremmen der melk.

Brengt men het stremsel bij lage temperatuur--26° C.--bij de melk, dan

is de wrongel, in Noord-Holland ook glip genaamd, week en zwammig; men

erlangt weeke kaas, die spoedig rijp wordt en niet lang bewaard kan

blijven. Werkt men bij hooger warmtegraad--28 tot hoogsten 35° C.--,

dan wordt de wrongel digter en men krijgt kazen, die langer tijd moeten

liggen eer zij rijp zijn en genuttigd kunnen worden. Hierin ligt het

geheele geheim om weeke, spoedig rijp wordende of hardere, langzamer

rijpende kaas te vervaardigen. Wie kan, na dit gehoord en ervaren te

hebben nog twijfelen aan het nut van den thermometer!

Dezelfde uitwerking, welke het stremmen bij hooger temperatuur heeft,

kan men ook te voorschijn roepen door de reeds geronnen melk te

verhitten of heet water aan haar toe te voegen; men zal bevinden dat de

wrongel digter wordt. Het stremmen bij een warmtegraad van 28 tot 35° C.

zouden wij onvoorwaardelijk aanbevelen, liever dan het verhitten van

gestremde melk. Men loopt geen gevaar dat het bijgevoegd heet water op

andere deelen der melk nadeelig inwerkt, noch ook dat de temperatuur te

hoog wordt, wat het stremsel onwerkzaam maakt.

Zijn zoo vele koeijen voorhanden, dat de op eenmaal verkregen melk

toereikend is om minstens eene kaas te maken, dan zal men niet ligt tot

kunstmatig verwarmen zijn toevlugt behoeven te nemen; de melk kan dan

zoo als zij van de koe komt met het stremsel vermengd worden. Een blik

op den thermometer geeft ook hier weer de grenzen. Moet men ochtend- en

avondmelk gebruiken om althans een kaas te maken, dan is de

eerstgemolkene afgekoeld, en men moet haar voor het stremmen weder op de

geschikte temperatuur brengen, hetwelk men het gemakkelijkst bereikt

door stoom om den wand van het melkvat te doen strijken. Deze regel

geldt, 't behoeft hier naauwelijks herinnerd te worden, alleen voor

vette kaas; wil men half vette kaas maken, dan roomt men de

eerstgemolken melk af en maakt boter van dien room. Heeft men daarna

ochtend- en avondmelk bij elkander gedaan en op de gewenschte

temperatuur gebragt, dan giet men het stremsel toe.

In groote kaasmakerijen vindt men een kraan, beweegbaar om een spil; de

ketel hangt aan die kraan en kan zoo gemakkelijk over het vuur gebragt

of er afgenomen worden. Maar beter is het, wij merkten het boven reeds

op, tot stoom zijn toevlugt te nemen.

De boer, die magere kaas maakt, koelt zijne melk snel af, opdat zich

alle room bovenop verzamele. In dat geval is het botermaken hoofdzaak,

het kaasmaken bijzaak, maar eene bijzaak belangrijk en winstgevend

genoeg om er alle aandacht op te vestigen.

Het spreekt van zelf dat die afgekoelde en afgeroomde melk later tot de

gewone temperatuur van ± 30° C. moet worden verwarmd, zal men nut zien

van het bijgevoegde stremsel.

Is de kaasstof behoorlijk gestremd, dan is de wei, de vloeistof, waarin

zij drijft, groenachtig, niet wit meer. Men neemt de wrongel uit het

vocht en onderwerpt haar aan eene krachtige drukking om weideelen te

verwijderen, haar geschikten vorm en behoorlijke digtheid te geven.

Naarmate men zich tevreden stelt met het vrijwillig afloopen der wei,

het eenvoudig uitdruipen der wrongel, of dit verwijderen van het vocht

door zwakke of sterkere drukking bevordert, en daardoor de kaas

verschillende graden van digtheid en van droogte geeft, erlangt men

kazen van geheel verschillende eigenschappen. Naarmate de drukking,

welke de wrongel in den vorm ondergaat krachtiger is, naar die mate

wordt ook de kaas vaster en kan zij langer bewaard blijven. Dat

vastworden heeft echter zijne grenzen, en de ondervinding leert dat het

buitengewoon zwaar persen de vastheid niet in evenredigheid vermeerdert.

Het rijpworden geschiedt hier zeer langzaam. Is de drukking zwakker,

dan wordt de kaas week, snel rijp, en laat zich slechts korten tijd

goed houden. Men denke hier aan het verschil tusschen neufchateller

en zwitsersche kaas, tusschen limburger en chester kaas. Bij de

neufchateller en limburger kaas wordt het stremsel bij lage temperatuur

toegevoegd, het persen nagelaten; bij de andere soorten stremt men bij

hooger warmtegraad en perst men krachtig. De temperatuur bij het

stremmen en de drukking werken derhalve in dezelfde rigting. Men zij ook

bedacht dat zwammige wrongel de hui bij het persen moeijelijker afgeeft,

dan de digtere kaasstof.

De kaas moet door de geheele massa volkomen gelijksoortig zijn; daarom

moet men bijzonder letten op de gelijkmatige verdeeling der wrongel,

opdat bij het persen elk gedeelte de wei even gemakkelijk laat varen,

want anders krijgt men kazen, bij welke het eene gedeelte spoediger rijp

is dan het andere.

Sommige kazen worden van binnen gekleurd; men neemt daartoe annatto of

orlean, dat men met water uittrekt en bij de melk voegt, voordat deze

het stremsel erlangt. In Allgäu wordt de gele kleur der baksteenkaas

door een aftreksel van saffraan verkregen.

Heeft de kaas een voldoenden graad van zamenhang gekregen, dan wordt zij

uit den vorm genomen, op eene koele plaats bewaard en gezouten. Dat

zouten geschiedt in den regel door herhaald inwrijven met het zout of

het leggen in pekel. Slechts zelden mengt men het zout onder de wrongel.

En toch levert naar ons inzien deze handelwijze menig voordeel op. Nu

komen er kazen aan de markt die zoo krachtig gezouten zijn, dat niemand

haar met smaak kan nuttigen. Soms heeft men het andere uiterste, de kaas

bevat te weinig zout, is laf van smaak en laat zich niet lang bewaren.

In enkele gevallen is het zout niet tot het hart der kaas doorgedrongen.

In den regel echter komt het eerste gebrek voor, hetgeen ons niet

verwonderen kan, wanneer men slechts bedenkt dat een kilog. zout

veel minder kost dan een kilog. kaas. Maar dan is het opzettelijk

vervalschen, wat in dit geschrift niet te huis behoort. Hoe weet men,

vragen wij, dat de kaas uit de pekel juist zooveel heeft opgenomen als

noodig is om haar te bewaren en den fijnsten smaak mede te deelen?

Daarvoor bestaat geen enkel zeker kenmerk. Mengt men onder de wrongel

eene afgewogene hoeveelheid zout, dan kan men deze zoo nemen, dat aan

beide eischen, voldaan wordt. Ja, maar de korst wordt beter in de pekel,

zegt de boer. De ondervinding heeft geleerd dat de kaasboeren, die het

zout onder de wrongel mengen, met een weinig oplettendheid even goede,

even fraaije korsten erlangen als zij, die de kaas in de pekel leggen.

In het eerste geval moet het zout tot zeer fijn poeder gebragt en zeer

juist in de massa verdeeld worden; misschien is deze bewerking, welke

iets meer moeite kost, de reden waarom men het meer rationele hier niet

opvolgt.

Het zouten der kaas moet met zuiver zout geschieden; men vermijde zout

dat kalk- en magnesiazouten bevat. In kaasstreken van het westelijk

Schotland, lezen wij bij JOHNSTON, verkiest men voor de kaas eene

onzuivere soort van zout, die eene ruime hoeveelheid vervloeijende

zouten, chloriden van kalk en magnesia bevat. Deze zouten schijnen de

korst der kaas vochtig te houden en daardoor hare hardwording te

bevorderen. Het is waar dat de kalk met de kaasstof eene onoplosbare

verbinding vormt; de technologen maken van die eigenschap gebruik. Maar

wat te zeggen van eene methode, die, ja, eene fraaije korst mag geven,

maar het inwendige der kaas bederft? Er is nog iets: op de eigenschap

van het langzaam uitdroogen der kaas berust juist het lang bewaren; door

de vervloeijende zouten geeft men dit voordeel prijs. Men overtuige zich

derhalve of het zout goed is.

Het keukenzout, chloornatrium, moet wit en in water volkomen oplosbaar

zijn; aan de lucht blootgesteld mag het niet vochtig worden. Geeft

chloorbarium in de oplossing een neerslag, dan zijn er zwavelzure zouten

aanwezig; geeft koolzure natron een praecipitaat, dan wijst dit op kalk-

en magnesiaverbindingen. De laatste verontreiniging vindt men min of

meer bij elke soort van keukenzout; zij mag echter slechts luttel zijn.

Brengt eene oplossing van bloedloogzout een neerslag voort, dan bevat

het ijzer; zwavelwaterstofgas kan metalen, in het bijzonder koper

aanduiden. Vult men een glazen stopflesch voor de helft met sterke

pekel, waarin men enkele droppels zwavelzuur gebragt heeft, en bevestigt

men tusschen de stop en de flesch een strookje papier met stijfsel

gedrenkt, dan mag, nadat de flesch een tijd lang in het donker gestaan

heeft, het papier niet blaauw gekleurd worden; die kleur geeft eene

jodiumverbinding als verontreiniging aan.

De grootste mate van reinheid is bij de bereiding en behandeling

der kaas eene levensvraag. De kaasstof is een zeer gunstige bodem

voor de ontwikkeling van schimmel en mijt. Gedurende het zouten en

bewaren moet men de oppervlakte der kaas zeer rein houden door wrijven,

afwasschen en afschrapen. Ook de plaats, waar de kaas op het bord

gestaan heeft, zuivert men, voordat men er andermaal kaas op zet. Alleen

de roquefort en stilton kazen zijn aan de ontwikkeling van een groen

schimmelplantje--het penicillium glaucum--haren eigenaardigen smaak

verschuldigd; daarom is de groei van zulk plantje zeer gewenscht en

wordt er voor zijne ontwikkeling bijzonder zorg gedragen.

Wij moeten hier met een woord melding maken van de bekende verandering,

welke de kaas bij het bewaren ondergaat. Onmiddelijk na het daarstellen

is de kaas wit en brokkelig; na verloop van tijd verliest zij van binnen

en van buiten deze eigenschappen: zij wordt spekachtig, rijp. Wij

behoeven slechts aan die kleine kazen te herinneren, die in den aanvang

wit en brokkelig, eene spekachtige schaal bekomen. Dit proces dringt

dieper en dieper in de kaas door, tot het eindelijk het hart bereikt,

waarna de kaas, langer bewaard, begint op te lossen en te vervloeijen.

Dit spekkig worden, dat men ook het rijpen der kaas noemt, is een gevolg

van eene scheikundige omzetting, die in het algemeen bij lagere

warmtegraden later begint en langzamer verloopt dan bij hooger

temperatuur, maar toch ook voor een gedeelte afhangt van de wijze,

waarop de kaas bereid is. Sommige kaassoorten eet men versch, andere in

een meer of minder gevorderd tijdperk van rijpte; nog andere worden

eerst dan in den handel gebragt, als het proces van het rijpworden

volkomen is afgeloopen. Neufchateller en limburger kaas komen versch,

wit en brokkelig ter markt, maar zij worden weldra spekachtig en

vervloeijen snel: men kan die kaas derhalve niet lang bewaren.

Zwitsersche en vele andere soorten van kaas komen rijp in den handel,

maar zijn zoo deugdzaam, dat zij, bij voorzigtige bewaring, uitdroogen

en niet bederven.

De vetste kazen zijn natuurlijk de beste, maar laten zich minder goed

bewaren dan de magere kazen uit afgeroomde melk daargesteld. Men vergete

niet hier in rekening te brengen wat boven bij het stremmen en persen

vermeld is. Zeer vette kazen, meshangertjes, kan men alleen dan maken,

als de melk in het najaar de meeste vetdeelen bevat, tenzij men op

andere tijden aan de melk opzettelijk room toevoege; deze kaas moet

spoedig gebruikt worden.

Op het tegenwoordig standpunt der wetenschap is het eene onbegonnen zaak

om te trachten eene volkomene verklaring--theorie--te geven van wat er

bij het rijpworden der kaas geschiedt. Men heeft trachten te ontleden en

zamen te stellen en is zoo tot enkele opmerkingen geraakt, maar het

juiste verband is niet gevonden. Enkele dier ervaringen willen wij hier

mededeelen.

Wanneer men, zegt WAGNER, vochtige caseine aan de lucht blootstelt, dan

wordt er ammonia gevormd en ontstaan er vlugtige vette zuren, die zich

met de ammonia verbinden. Terwijl de ammonia-bases zich met het

onveranderd gebleven gedeelte der kaasstof vereenigen, ontstaan er

stoffen als de caseaten--albuminaten--van amylamine, butylamine,

ammonia, waarschijnlijk ook leucine-caseaat, van welke de meeste in

water oplosbaar zijn. Het spekkig of rijp worden der kaas is aan de

vorming dezer stoffen toe te schrijven. Wanneer men spekkige kaas met

water behandelt en bij de gefiltreerde vloeistof verdund zwavel- of

zoutzuur voegt, dan scheidt zich de caseine in vlokken af, welke na

uitwasschen met water alle eigenschappen der versche kaasstof oplevert.

In de spekkige kaas is het grootst gedeelte der caseine nog onveranderd

aanwezig. Vroeger meende men dat het rijpworden der kaas berustte op de

ontleding van het keukenzout, derhalve op de vorming van

natron-albuminaat. Men moet die meening verwerpen, daar de

laatstgenoemde stof door de zwakste zuren ontleed wordt: de caseine, als

zuur beschouwd, kan het zoutzuur niet uitdrijven. Bij enkele

kaassoorten, in het bijzonder bij de vettere, in welke de hoogere termen

van de rij der vlugtige vette zuren aanwezig zijn, mag het keukenzout

welligt ontleed worden, maar ook hier is het geenszins de caseine, welke

zich met de natron verbindt.

Wanneer men oude limburger kaas met water uittrekt, dan ontstaat in de

geconcentreerde oplossing door bijvoeging van platinachloride een ruim

nederslag van platinasalmiak. Het keukenzout, bij de bereiding der kaas

toegevoegd, wordt in dit geval in zoutzuur en natron ontleed; het zuur

vinden wij in oude kaas met ammonia en amylamine verbonden terug; de

natron heeft zich vereenigd met de vlugtige vette zuren, zooals

valeriaanzuur, capronzuur, enz. De eigenaardige smaak van vele

kaassoorten hangt van deze verbindingen af. Welligt dat het in het

vervolg gelukt om aan gewone kaas, door bijvoeging van amylsalmiak, den

scherpen en kenschetsenden smaak van sommige fransche en engelsche kazen

te geven.

Wordt oude kaas met water uitgetrokken, dan kan men in het gefiltreerde

vocht de salpeterzure zouten gemakkelijk aantoonen. Behalve de amylamine

ontstaat bij de ontleding van kaas altijd leucine, wel een bewijs voor

de innige betrekking tusschen beide ligchamen. Verhit men leucine, dan

splitst zij zich in amylamine en koolzuur.

Om de veranderingen der kaas bij het rijpworden te leeren kennen, heeft

TROMMER gewigtige bijdragen geleverd. Men zou, volgens hem, het proces

eene matige rottende gisting kunnen noemen. De witte, versche kaas

reageert sterk zuur, maar met den tijd wordt die zure reactie van buiten

naar binnen immer zwakker, terwijl de kaas doorschijnend, spekkig, rijp

wordt. Eindelijk gaat de zure reactie in eene alcalische over: de kaas

wordt overrijp. Gedurende dit proces ontstaan rottingsproducten der

proteinestoffen--der kaasstof--zooals leucine, tyrosine, ammonia en de

ammoniabases: amylamine, butylamine, enz. Deze bases neutraliseren de

zuren der kaas, en eindelijk wordt de zure onoplosbare caseine

oplosbaar. Ook het vet der kaas ondergaat eene gedeeltelijke ontleding;

er ontstaan vlugtige en niet vlugtige zuren uit de rij der zoogenaamde

vette zuren, welker verbindingen met ammonia derhalve in de kaas

aanwezig zijn. BLONDEAU meende opgemerkt te hebben dat de kaasstof voor

een gedeelte in vet overging; dit nu heeft volgens geloofwaardige

proefnemingen van BRASSIER niet plaats, integendeel, de hoeveelheid vet

neemt af.

Handboek voor den kaasmaker in Nederland · 第 8 / 16 段