8º. behandelt men blaauwen room, aan een glazen staafje hangend, met

strychnine, laurierkerswater, creosoot, chloor- of kalkwater, bijtende

kali of bijtende ammonia, verdunde zuren of eene oplossing van

sublimaat, en brengt men den room na 4 tot 8 minuten bij gezonde melk,

dan volgt altijd het blaauwworden, behalve alleen bij het

kwikzilverzout;

9º. laat men chloorwater zoo lang inwerken tot ontkleuring gevolgd is,

dan is ook het ferment ontleed; hetzelfde heeft plaats met alcalien en

zuren, wanneer zij met minder water verdund zijn, of uren lang met de

melk in aanraking blijven. Onder zulke omstandigheden wordt de kaasstof

ook ontleed.

HAUBNER heeft ook het wezen van het ferment trachten uit te vorschen;

hij komt tot het volgend besluit:

1º. het ferment der melk bestaat niet uit schimmels, omdat deze op de

oppervlakte blijven, terwijl het ferment ook lager in de vloeistof

gevonden wordt; omdat de schimmels van gezonde en blaauwe melk tot

dezelfde soorten behooren; omdat als andere zelfstandigheden, slijmige,

gomhoudende vloeistoffen of water het ferment bevatten, geene

schimmelvorming waargenomen wordt;

2º. het ferment bestaat ook niet uit infusorien of afgietseldiertjes.

Het afgietseldiertje, dat in blaauwe melk standvastig en in groote

menigte gevonden wordt, behoort niet, zoo als FUCHS beweert, tot het

geslacht vibrio, maar is eene monade, de monas gliscens Ehrenbergii.

Men vindt het echter niet op de blaauwe melk alleen, maar ook op de

wit gebleven gedeelten en zelfs op gezonde melk. HAUBNER tracht zijne

stelling door het volgende te staven:

~a~. de infusorien der melk sterven in water, suikerwater, oplossingen

van arabische gom enz.; terwijl toch al deze stoffen draagsters zijn van

het ferment;

~b~. blaauwe melk, waarin alleen doode infusorien worden

aangetroffen--het afsterven geschiedt meestal bij afgeroomde en geronnen

melk--, maakte gezonde melk blaauw;

~c~. strychnine, creosoot en de andere bovengenoemde zelfstandigheden

dooden de afgietseldiertjes, en toch volgde bij de proef hierboven

omschreven immer het blaauwworden der melk; alleen sublimaat maakte eene

uitzondering;

~d~. witte room, uit de nabuurschap van blaauwe plekken genomen en

waarin velerhande infusorien gevonden werden, maakte gezonde melk niet

blaauw, evenmin als de infusorien, die uit blaauwe boter uitgewasschen

waren, zulks deden;

~e~. wordt blaauwe gestremde melk op filtreerpapier gebragt en met water

overgoten, dan bevinden zich in het afloopend water vele infusorien.

Voegt men dit water bij gezonde melk, dan wemelt zij na 24 uren van

afgietseldiertjes; na twee dagen kan men die met het bloote oog, aan

zekere vormverandering waarnemen en toch wordt de melk niet blaauw.

3º. het ferment in de melk is hoogstwaarschijnlijk oplosbare caseine,

die eene zekere omzetting ondergaan heeft, gelijk de volgende proeven

aantoonen:

~a~. van geronnen blaauwe melk droppelde bij het filtreren eene

blaauwachtige wei, welke kaasstof, albumine en suiker bevatte; dit vocht

maakt gezonde melk blaauw;

~b~. wanneer men blaauwe wei filtreert, dan erlangt men eene licht gele

vloeistof, die albumine en suiker bevat en gezonde melk blaauw kleurt,

wat de teruggebleven kaasstof niet doet;

~c~. kweepittenslijm, gekookte aardappelen en water, waarin het ferment

gebragt is, en welk vocht zoolang staat tot dat het troebel en gekleurd

is, waarbij zich de infusorien in ruime mate ontwikkelen, maakte gezonde

melk niet blaauw.

De werkzaamheid van het ferment is volgens HAUBNER afhankelijk van zijne

kracht, zijne hoeveelheid en verdeeling. Voorwaarden tot deze

werkzaamheid zijn de volgende:

1º. de eigenaardige toestand der melk. Wordt de melk langzaam zuur, dan

heeft zij grootere voorbeschiktheid tot blaauwworden, dan die, bij welke

dit proces en het stremmen vlug van de hand gaan. Vandaar kan men door

het toevoegen van karnemelk, zure melk of andere stoffen, welke het

zuurworden begunstigen, de voorbeschiktheid tot blaauwworden vernietigen

of begrenzen, zoodat het krachtigst ferment werkeloos blijft of slechts

weinig invloed uitoefent. Hetzelfde is van toepassing, wanneer men de

melk sterk en aanhoudend kookt, zoodat de caseine eene diep ingrijpende

verandering--eene verharding, verdigting--ondergaat. Daarentegen kan men

bij melk, die weinig of niet blaauw wordt, dien aanleg verhoogen,

wanneer men door haastig opkoken of door toevoeging van bijtende ammonia

het stremmen vertraagt. De oorzaken van dezen eigenaardigen toestand der

melk vindt men:

~a~. in den toestand van het dier. Bij biest--colostrum--, mits niet met

bloed vermengd, komt het gebrek uiterst zelden voor; het omgekeerde ziet

men bij melk van oudmelkte koeijen. Plaatselijke ziekten van den uijer,

vooral die, waardoor bloed bij de melk komt, bevorderen het

blaauwworden;

~b~. in het voedsel. HAUBNER vond dat melk, na het voederen van klaver,

hooi en koeken, meer neiging tot blaauwworden had, dan wanneer hij zijne

dieren knollen en bieten gaf. Ook de bodem, waarop het voedsel gegroeid

is, heeft invloed;

~c~. in uitwendige invloeden. Vochtig, warm, zoel weder en warme regen;

vochtige, dompige lucht in het melkvertrek begunstigen het blaauwworden.

Waarnemingen leerden HAUBNER:

~aa~. dat zonder toetreding van den dampkring de melk niet blaauw wordt;

zieke melk, door olie van de lucht afgezonderd, verkleurde niet, hoezeer

zij zuur werd en stremde;

~bb~. dat hooge temperatuur van 25° C. het blaauwworden bespoedigt,

zoo dat het reeds na 24 uren ontstaat, maar dat warmte de uitbreiding

begrenst, wijl het stremmen evenzeer vervroegd wordt. Bij eene

temperatuur van 8 tot 12° C. volgde het blaauwworden eerst na verloop

van twee tot vier dagen, maar de uitgebreidheid was zoo groot mogelijk.

Was de warmtegraad nog lager, zoodat het zuurworden en stremmen eerst na

6 tot 8 dagen geschiedde, dan werd ook de ziekte vertraagd en slechts

onvolkomen kleursverandering waargenomen;

~cc~. dat verdunning van de lucht--van 5 tot 10 cm.--het blaauwworden

bijna geheel verhinderde en de infusorien doodde;

~dd~. dat licht en duisternis geen invloed uitoefenen.

HAUBNER heeft het ontstaan van het ferment, waaraan hij het blaauwworden

der melk toeschrijft nog nader onderzocht. Hij beschrijft dit onderzoek

als volgt:

1º. poeder van althaeawortel met een weinig water en eenige droppels

melk aangemengd, gaf vaak aanleiding tot blaauwworden, wanneer de melk,

na begonnen ontleding nog neutraal of alcalisch reageerde. Droog poeder

van althaea of arabische gom, zonder eenige voorbereiding op de melk

uitgestrooid, riep in enkele gevallen het verschijnsel te voorschijn;

2º. vleeschafkooksel en versch runder- of schapenbloed bij de melk

gevoegd bleven zonder uitwerking; het tegendeel had plaats, wanneer de

vloeistof na eenige dagen in ontleding was overgegaan, en er zich

monaden gevormd hadden. Laat men met bloed gemengde melk staan, tot zij

geronnen is, giet men haar dan af, en voegt men van het bloed, dat op

den bodem van het vat blijft liggen, bij gezonde melk, dan wordt deze

blaauw en dat op zeer opvallende wijze.

HAUBNER komt eindelijk tot het besluit dat er drie wegen mogelijk zijn,

waarop blaauwe melk vrijwillig kan ontstaan: de kaasstof der melk kan

eigenaardige eigenschappen hebben, en door hare omzetting aanleiding

geven tot het ontstaan van het ferment; bestanddeelen van het bloed

kunnen onveranderd in de melk zijn overgegaan; eene ziekelijke

afscheiding van het slijmvlies der melkklier kan de grondstof worden van

het ferment. Het vrijwillig verdwijnen van de blaauwe kleurstof der melk

geschiedt dan doordat bovengenoemde oorzaken ophouden te bestaan, of

door uitwendige invloeden van lucht en weder, welke het omzettingsproces

storen of vertragen. Waarin het wezen der blaauwe kleurstof bestaat,

laat HAUBNER in het midden.

In 1858 nam SPINOLA het blaauwworden der melk waar bij eene koe, die in

een nieuw glas gemolken was, en welker melk bewaard werd op eene plaats,

waar nog nooit een droppel melk geweest was; hij had behoorlijk de

voorzorg genomen om de melk voor vliegen te beschutten. Bewaarde hij de

melk van andere koeijen in hetzelfde vertrek, dan deed zich bij die het

gebrek niet voor.

De grondbezitter ELTEN geeft den raad om zwavel te branden in het

vertrek, waar de melk bewaard wordt. Zoodra het gebrek wordt

waargenomen, sluit hij deuren en vensters van zijne melkkamer, en laat

een handvol zwavel branden; eerst na 4 of 5 uren opent hij het vertrek

weder, en laat het goed luchten om de zwaveldampen, die verstikkend op

den mensch werken, te verwijderen. Hij houdt dit 8 dagen vol, hetzij

dagelijks, hetzij om den anderen dag, al naarmate het gebrek zich

heviger of minder voordoet. De room en de melk nemen hierdoor, volgens

hem, geen onaangenamen smaak aan.

De hoogleeraar MOSLER nam bij den mensch schadelijke gevolgen waar,

veroorzaakt door het gebruik van blaauwe melk; hij schrijft deze toe aan

gevormd aniline--triphenylrosaniline van professor HOFFMAN--door de

omzetting van proteinestoffen der blaauwe melk, gelijk ERDMANN

aangetoond heeft. MOSLER vond de blaauwe kleurstof in de melk opgelost,

evenals FURSTENBURG haar in gefiltreerde wei aantrof. MOSLER komt tot

het besluit dat dezelfde schimmel--penicillium glaucum--, die in gezonde

melk de zure gisting inleidt, in staat is de kaasstof te splitsen,

waarbij, behalve andere ontledingsproducten, ook de zoo giftige aniline

ontstaat; daartoe is echter noodig dat door gebrekkig bereide chylus en

veranderde albuminose van het bloed, ook de caseine der melk eene andere

zamenstelling erlangt.

D^r. ERDMANN is, geleid door zijne onderzoekingen, der meening toegedaan

dat de roode en blaauwe kleur door dezelfde schimmels, door EHRENBERG

als vibrionen gedetermineerd, veroorzaakt worden; hij meent dat het

roodworden der caseine gestuit wordt door melkzuur. Om zijne meening

te staven, beroept hij zich op de zwitsersche kaas, die rood wordt

bij alcalische reactie, en daarop, dat roode melk onder sommige

omstandigheden blaauw wordt.

De hoogleeraar HALLIER in Jena onderzocht in 1868 blaauwe melk. Deze

had zich in den emmer met eene dunne, vloeibare, olieachtige massa,

ter dikte van een millim., bedekt; de oppervlakte zag azuurblaauw. Een

millim. dieper werd het vocht helder blaauw. De melk in andere vaten

bewaard gaf slechts flaauwe teekenen van kleur. HALLIER vond in die melk

eene groote menigte schimmels van de kleinste soort, rijen leptothrix

en hier en daar schimmeldraden van blaauwachtige kleur. HALLIER meent

dat die schimmels overeenkomen met wat men bakterien, bakteridien en

vibrionen genoemd heeft. Tot verder onderzoek mengde hij de zieke melk

met gezonde versche en met opgekookte melk; de voortplanting was na

24 uren nog naauwelijks te bemerken, en bleef 8 dagen lang uiterst

zwak. Dan vormde zich op de zure melk het oïdium lactis Fres. uit het

penicillium. Dit oïdium ontstond ook uit de elementen der blaauwe melk

op eene oplossing van suiker en wijnsteenzure ammonia in water. Bereidde

hij stijfsel met wijnsteenzure ammonia, dan ontstond mucor racemosus

Fres. en hieruit oïdium lactis en na weinige dagen penicillium

crustaceum Fres. De verschillende schimmelvormen, welke hier ontstonden,

behooren derhalve tot deze eene soort. De kleur van alle draden was

aanvankelijk licht blaauw; dat blaauw ging bij de volgende geslachten

meer en meer te loor, maar kwam bij het penicillium weer duidelijker

uit. HALLIER ziet in de schimmels de dragers en niet de oorzaak van de

blaauwe kleur der zieke melk; hij vermoedt dat in de laatste eene stof

aanwezig is, welke de blaauwe kleur mededeelt aan de schimmels.

De hoogleeraar FURSTENBERG heeft zich ook met het onderzoek van blaauwe

melk afgegeven; wij laten zijne mededeelingen hier volgen. De melk, zegt

hij, welke na eenigen tijd gestaan te hebben, blaauw, geel of rood

wordt, ziet er onmiddelijk na het opvangen uit den uijer als gezonde

melk uit; ook het scheikundig onderzoek geeft geen vermoeden van ziekte

te kennen. Het afroomen gaat geregeld, maar na verloop van 12 tot 24

uren vormen zich op de oppervlakte van den room enkele blaauwe, en

tusschen deze gele, zeldzamer roode punten, ter grootte van een

speldenkop; de punten nemen snel in omvang toe, zoodat zij, na verloop

van 6 tot 8 uren een middellijn van 2 tot 4 centim. en grooter bereikt

hebben. De omvang der vlekken neemt verder geregeld toe, zoodat na

verloop van 24 uren de geheele oppervlakte blaauw gekleurd is. Ook de

gele vlekken worden grooter en doen zich als eilandjes in de blaauwe

massa voor; zij verbreiden zich langzamer dan de blaauwe, sneller dan de

roode vlekken. Heeft het gebrek eenigen omvang, dan gelijkt de kleur op

indigo; de gele tint houdt het midden tusschen oranje en chroomgeel. De

verkleuring ontstaat immer aan de oppervlakte en dringt langzaam in de

diepte door. De blaauwe melk reageert immer zuur en heeft een zuren,

stekenden reuk. Stremt de melk, dan is de wrongel minder vast dan die

van gezonde melk. De room van blaauwe melk heeft een onaangenamen,

ranzigen smaak, evenals de daaruit bereide boter; uit de laatste kan men

door wasschen de kleurstof slechts onvolkomen verwijderen. Onderzoekt

men de blaauwe massa, welke op de oppervlakte der melk, en zelfs buiten

haar uitstekend gevonden wordt, met het microscoop, dan schijnt zij te

bestaan uit schimmel-mycelium, waarboven draden van conidien uitsteken.

Enkele leden dezer conidien bevatten kleine ligchaampjes, welke in

beweging schijnen; komen deze geheel vrij, dan ziet men de beweging

zeer levendig worden. Zij behooren tot de door FUCHS met den naam van

vibrio cyanogenus bestempelde vormen. Bovendien zag FURSTENBERG nog

leptothrix-rijen van verschillende lengte, draden die uit 10 tot 20 en

meer enkelvoudige kleine cellen bestaan, van welke enkele in beweging,

andere in rust waren. De blaauwe kleurstof laat zich zoowel op de

schimmels als op den wrongel en den wei waarnemen. FURSTENBERG teelde de

blaauwe melk gedurende een geheel jaar voort en beschrijft de volgende

waarnemingen:

1º. brengt men de blaauwe massa, die op de oppervlakte der zieke melk

voorkomt, op gezonde melk, dan ontstaat ook op deze het verschijnsel;

niet elke melk evenwel is voor deze proef even gunstig: het best gelukt

zij met afgeroomde melk;

2º. de vibrio cyanogenus en de daarin bevatte conidien-leden schijnen

de smetstof te bevatten, daar slechts zij de ontwikkeling van blaauwe

kleurstof in gezonde melk kunnen te voorschijn roepen. De blaauw

gekleurde schimmelmassa, welke boven de oppervlakte is uitgegroeid,

en waarin een groot aantal ronde, met sporen gevulde sporangien zich

bevinden, kan aan de gezonde melk het blaauwworden niet mededeelen;

3º. wordt blaauwe melk gefiltreerd, dan is het doorloopend vocht

donkerder blaauw gekleurd, dan de teruggeblevene kaasstof; de laatste

kan men door water niet volkomen ontkleuren;

4º. FURSTENBERG kon de kleurstof niet uit de wei afscheiden; verdampte

hij de vloeistof, dan veranderde de blaauwe in eene helder roode kleur;

5º. bijtende kali en bijtende natron veranderen de blaauwe in eene roode

kleur; bijvoeging van zuren doet de oorspronkelijke tint terugkeeren.

Salpeterzuur vernietigt de blaauwe kleur, zoutzuur niet. Laat men de

blaauwe melk of wei eenige dagen, nadat het blaauwworden zijn hoogste

punt bereikt heeft, staan, dan gaat de blaauwe in eene vuil roode kleur

over.

Uit deze verschijnselen leidt FURSTENBERG af dat de blaauwe kleur door

anilineblaauw wordt veroorzaakt; dit ontstaat door de werking van

schimmels op melk, die voor dergelijke ontleding vatbaar is; de

kleurstof gaat dan uit de melk op het schimmelplantje over.

De aangevoerde eigenschappen, zegt FURSTENBERG, stemmen vrij wel

overeen met die, welke door HAUBNER, SCHULZE, TROMMER en ERDMANN

gevonden zijn, zoodat dit anilineblaauw gelijk gesteld kan worden met

de triphenylrosaniline van professor HOFFMAN. In het dierlijk ligchaam

worden voortdurend stoffen gevormd, welke tot de benzolrij behooren,

ja, wij treffen in de pis der runderen carbolzuur, phenylalcohol,

hippuurzuur, enz. aan. En daar de aniline tot de benzolverbindingen

behoort, is het niet te verwonderen dat zij als ontledingsproduct nu en

dan optreedt.

Waar door nu de caseine den stoot krijgt om in zulk eene rigting ontleed

te worden, is in elk afzonderlijk geval niet even gemakkelijk op te

sporen. Meestal kan men een geringen graad van stoornis in het

spijsverteringskanaal der koe aanwijzen. In andere gevallen is het

lijden reeds voorbijgegaan, voordat de melkboer het opmerkte; alleen

ziet hij dat zijne melk blaauw wordt.

De stoornis in het spijskanaal is reden dat de vorming van peptonen

gebrekkig geschiedt; de proteinestoffen, welke in het bloed komen, zijn

dan ook niet naar behooren ontwikkeld en geneigd om in de eene of andere

rigting ontleed te worden. Bij afscheidingen, in het bijzonder bij de

melk, welke door eene eigenaardige omzetting tot stand komt, zal zich

die gebrekkige vorming der proteinestoffen het eerst en het meest

openbaren.

Maar ook het weder heeft invloed op dit proces; is het in den zomer

zoel, vochtig weder, zoodat de functie der ademhaling daaronder lijdt,

dan treedt het blaauwworden der melk meermalen en zeer krachtig op.

Neemt men aan dat de schimmelvorming noodig is voor het blaauwworden der

melk, dan zal men moeten toegeven dat juist warmte en vochtigheid

bevorderlijk zijn aan den groei dezer parasiet.

Men kan de schimmel, welke wij in de blaauwe melk vinden, in de

melkkamer aanwijzen; geen wonder derhalve dat de kiem in gezonde melk

komt en ook daar het gebrek te voorschijn roept.

Komt de blaauwe melk in den winter voor, dan ontstaat zij, wanneer de

koe gezond is, uit kiemen in het melkvertrek voorhanden. Het vernietigen

dezer kiemen, het desinfecteren, is niet gemakkelijk; heeft men het

grondig verrigt, dan houdt ook het gebrek op.

In de meeste gevallen, waar men met het blaauwworden der melk te doen

heeft, is de melk van een of meer dieren ziek; alleen dan, wanneer de

invloed van het weder in het spel is, breidt zich het gebrek over alle

melk uit. Dit geschiedt ook, bijaldien men de melk van het zieke dier

bij den overigen voorraad voegt. Van veel belang derhalve is het om na

te gaan welk dier ziek is; men trachte de ongesteldheid uit den weg te

ruimen, en houde de melk van zulk dier afgezonderd van de overige.

Bewaart men een gedeelte der melk buiten de melkkamer en blijft zij daar

goed, dan volgt er uit dat het melkgereedschap niet behoorlijk gereinigd

is en dat het stoffen bevat, welke het gebrek tot ontwikkeling brengen.

In zulk geval moet men voor behoorlijke desinfectie zorgen. Dit

geschiedt het best, wanneer men het melkgereedschap reinigt met eene

loog, welke door toevoeging van gebranden kalk scherp gemaakt is. Alle

voorwerpen, welke in het melkvertrek staan, wascht men met die loog af,

reinigt den bodem der kamer en strijkt de wanden met kalk aan.

Heeft men de koe, die de zieke melk geeft, gevonden, dan trachte men

de werking van het darmkanaal te herstellen door haar het natrum

bicarbonicum in giften van 15 tot 20 grammen toe te dienen. Naar

omstandigheden kan men deze werking ondersteunen door aftreksels van

bittere aromatische kruiden.

Wil men bij den room, wanneer deze niet terstond tot de bereiding van

boter wordt aangewend, het blaauwworden voorkomen, dan voegt men er wat

karnemelk bij. Het melkzuur belet de ontleding der caseine, waardoor

anders de kleurstof gevormd wordt.

De westfaalsche landbouwcourant heeft nu en dan een stukje over blaauwe

melk ten beste gegeven. In een geval scheen het gebrek zijn oorsprong te

vinden in de houten en aarden melkvaten; toen men deze met die uit blik

vervaardigd verwisselde, bleef het gebrek uit, maar kwam terug toen de

houten emmers andermaal gebruikt werden.--In een ander geval, waarin

noch verandering van voedsel, noch verwisseling van emmers iets hielpen,

verdween het gebrek, toen men het vaatwerk met armoracia ingewreven,

daarop behoorlijk gereinigd en in de lucht gedroogd had; de smaak van

melk en boter bleven goed.--In een derde geval kwam de blaauwe melk om

de 8 jaren terug; het achtste jaar werd er klaver gevoederd, welke veel

equisetum arvense bevatte. Als geneesmiddel werd in dat geval om de twee

of drie dagen wat kalkwater bij het drinkwater der koeijen gevoegd.--Ook

heeft men opgemerkt dat de melk na het voederen van stekrapen snel

blaauw werd; liet men dat voedsel achterwege of gaf men aan de beesten

een weinig glauberzout, dan was men weldra van de plaag bevrijd.

Het kaasmaken; algemeene begrippen.

Hebben wij in de vorige bladzijden de stof besproken, waaruit de kaas

gemaakt wordt, hier moeten wij nagaan wat wetenschap en ondervinding ten

opzigte van de kaasbereiding leeren.

De kaasstof is, wij weten het van vroeger, het stikstofhoudend

bestanddeel der melk; zij behoort tot de zoogenaamde proteinestoffen,

albuminaten.

Toen wij over de melk spraken, hebben wij de eigenschappen der kaasstof

min of meer uitvoerig behandeld; wij behoeven er hier niet op terug te

komen. De kaasstof is, met melksuiker en zouten, opgelost in de wei of

de vloeistof, waarin de melkbolletjes of boterkogeltjes zweven. Door

hare aanwezigheid in de melk wordt deze dik en stremt bij langer staan,

of door toevoeging van zuur of lebbe-vloeistof; de caseine scheidt zich

dan in onoplosbaren toestand af, en geeft zoo de stof tot bereiding der

kaas.

Groot, zeer groot is het aantal soorten van kaas; men denke slechts aan

de noord-hollandsche, stolksche, leidsche kaas, of aan de zwitsersche,

de chester, roquefort, limburger, neufchateller kaas; aan kaas gemaakt

uit de melk van koe, geit of schaap, aan die gevormd uit zoete en zure

melk, aan magere, half vette en vette kaas.

Om goede kaas te maken heeft men voor alles goede melk van gezonde

dieren noodig. In den loop van dit geschrift zal het blijken hoe

onmisbaar die voorwaarde is. Een tweede eisch is volstrekte

zindelijkheid. Een intelligent landbouwer ziet niet alleen toe dat de

eerste straal melk, welke de beesten geven, niet bij den voorraad komt,

maar reinigt zelfs de spenen der koe, voordat hij met melken begint. Is

de uijer, of zijn de spenen ziek, en misschien met zalven en smeersels

behandeld, dan is zulks nog grooter vereischte.

Is de melk aangekomen in het lokaal, waar de kaas zal worden gemaakt,

dan laat men haar allereerst door een fijne zeef loopen, opdat haren of

andere toevallige verontreinigingen zullen verwijderd worden.

Het lokaal zelf of de kaaskamer is een der belangrijkste gedeelten in de

woning van den kaasboer. Dat lokaal, lezen wij bij ENKLAAR, moet ruim,

hoog en koel zijn, de vensters van luiken voorzien om over dag het felle

licht, de warmte en de vliegen te kunnen afweren. 's Morgens en 's

avonds opent men de luiken om te luchten. De kaaskamer moet een steenen

vloer hebben van blaauwe bakken, welke bevorderlijk zijn aan de

reinheid, daar steenen op kant gezet te vele reten en voegen geven,

welke melk doorlaten; langs de wanden staan, volgens ENKLAAR, stellingen

en planken, waarop de kaas bewaard wordt. Wij stemmen deze regelen

gaarne bij, maar geven toch in overweging om daar, waar het geschieden

kan, de gemaakte kaas elders dan in het lokaal, waar men kaas maakt, te

bewaren.

De vaten, waarin men de melk bewaart of behandelt, moeten zeer rein

zijn; men gebruike nooit een emmer, vat of tobbe, welke van binnen

geverwd zijn. HERREWIJN zegt dat het hem door tal van voorbeelden

gebleken is dat het verwen de oorzaak was van het blaauwworden der kaas,

zoowel het inwendig als het uitwendig blaauw. Hij meent, en zeker te

regt, dat de melkboer deze les der ervaring dankbaar moet aannemen.

Handboek voor den kaasmaker in Nederland · 第 7 / 16 段