De slijmige of taaije melk laat zich, even als hare bestanddeelen, room,

wrongel, karnemelk, in draden uithalen; op het gevoel is zij slijmig

en verraadt dit ook bij den smaak. Bij het overgieten blijft zij aan

den emmer hangen. Na langer staan ontwikkelen zich blazen op hare

oppervlakte, en scheidt de melk room af, waaruit men slechts moeijelijk

boter verkrijgt; deze laatste is smakeloos en zeer week. De

eigenschappen van deze melk zijn in vele opzigten onderscheiden van die

van colostrum. Wordt slijmige melk aan gezonde melk toegevoegd, dan

deelt zij ook aan deze de spinnende eigenschap mede, wat men bij

colostrum niet opmerkt. Men spreekt in deze gevallen van eene slijmerige

gisting. Is het werkelijk een gistingsproces, dan behoort het zeker

tot de rottende gisting, want de melk, welke dit gebrek heeft, bevat

een grooter gehalte aan kali- en natronzouten, alsmede eene niet

onbeduidende hoeveelheid koolzure ammonia, producten derhalve welke de

rottende gisting vergezellen. De proteinestof in deze melk bezit

oorspronkelijk een verkeerde hoedanigheid, dat is, de ligging harer

atomen is reeds bij de vorming gebrekkig geweest: de deeltjes zijn zoo

los aan elkander verbonden, dat er bij den geringsten stoot ontbinding

ontstaat. Het microscoop heeft dit duidelijk aangetoond; men vond eene

menigte vetkogeltjes aan elkander gekleefd, 't geen bewijst dat zich in

de melk eene proteinestof bevindt, welke de eigenschappen der kaasstof

mist. Een gedeelte der proteinestof heeft door de inwerking der koolzure

ammonia--ontstaan door de ontleding van een ander gedeelte

proteinestof--, reeds in de borstklier de spinnende eigenschappen. Is

het ontbindingsproces door de gebrekkige vorming der proteinestof

eenmaal begonnen, dan gaat het onophoudelijk door, tot dat ten laatste

alle stof is omgezet. Wordt van zulke melk, welke reeds koolzure ammonia

bevat en in voortdurende ontbinding verkeert, bij gezonde melk gevoegd,

dan oefent de koolzure ammonia invloed uit op de caseine der gezonde

melk en deelt haar spinnende hoedanigheden mede.

De herkenning van dit gebrek is bij versche melk, welke eerst na verloop

van uren spinnende eigenschappen aanneemt, niet gemakkelijk; soms geeft

het microscopisch onderzoek licht, want het aaneenkleven van

vetkogeltjes is een teeken, dat het opvolgend spinnen doet vermoeden. De

omhullende zelfstandigheid der vetbolletjes is door de koolzure ammonia

ten deele opgelost. Heeft de melk reeds in den uijer die verandering

ondergaan, dan kan men het gebrek niet gemakkelijk over het hoofd zien.

De voorspelling is gunstig in die gevallen waar, naast het geneesmiddel,

voor eene verandering van voedsel en goede verpleging kan gezorgd

worden. Heeft men geen ander voeder, dan lijden de pogingen tot herstel

dikwerf schipbreuk.

In het algemeen zijn de maatregelen tot herstel aan te wenden

verschillend, naarmate de oorzaak, die de ziekte te voorschijn riep,

eene andere is. Heeft het dier koude gevat, dan koestert men het op een

warmen stal. Is de spijsvertering gestoord, dan trachte men dit gebrek

door bittere, aromatische kruiden te verhelpen, en men zie toe dat men

geen voedsel geeft door schimmel of gisting bedorven. Wordt het lijden

door minder goed voedsel te weeg gebragt, dan geven alle koeijen slechte

melk; in zulk geval ligt het geneesmiddel voor de hand. Heeft men grond

om aan te nemen dat de melk van slechts enkele dieren uit een koppel

gebrekkig is, dan moet men den gezondheidstoestand van elk dier in het

bijzonder nagaan, des noods de melk van elke koe afzonderlijk houden.

Men vindt op die wijze spoedig het zieke dier en kan het naar boven

gegeven regels verplegen. Natuurlijk voege men de melk van zulk beest

niet bij den overigen voorraad. Wij herinneren ons over dit gebrek een

opstel te hebben gelezen van den hoogleeraar J. GIRARDIN te Rouen. Deze

vergelijkt het gebrek met de Brightsche nierziekte; hij zag goed gevolg

van het gebruik van salpeterzuur in lijnzaad-afkooksel gegeven. Men

bedenke dat het salpeterzuur tot de sterke zuren behoort, zoo dat de

hoeveelheid op eenmaal te geven slechts gering mag zijn en met veel

water verdund moet worden.

De =roode kleur der melk=, een nu en dan voorkomend gebrek, kan

veroorzaakt worden door bijgemengd bloed, door bijgemengde

bloedkleurstof, door bijgemengde plantenkleurstoffen. Om te weten of de

laatste oorzaak de ware is, dat is, of de kleurstof afhangt van het

gebruik van plantenvoedsel, meekrap bijvoorb., lette men op de boter;

gaat de kleurstof uit de melk in de boter over, dan vindt men het euvel

in het voedsel. Wij geven op eene andere plaats eene lijst van planten,

welke de melk rood kleuren. Meestal is, als bij de roode kleur der melk

de boter kleurloos blijft, het bloed in het spel. Men behoeft hier

echter geen ziekelijken toestand van het dier of van de melkklieren aan

te nemen; dikwerf is eene geringe verwonding van den uijer, bijvoorb.

door insecten, voldoende om het verschijnsel te voorschijn te roepen. En

wanneer de wond, aan zichzelve overgelaten, weldra zou sluiten, zal zij

door het melken op nieuw opengereten worden. Een ander middel om zich te

overtuigen of de kleur afhankelijk is van plantenkleurstoffen of van

bloed, bestaat daarin, dat men den uijer met laauw warm water afwascht;

het blijkt dan zeker of de uijer bloedt of niet. Ligt de reden van de

roode melk in dergelijke bloedingen, dan komt het bloed niet in strepen

voor, maar het is vrij gelijkmatig met de melk gemengd. Laat men zulke

melk langer staan, dan zinken de bloedbolletjes naar den bodem van het

vat, waar zich de kleurstof dan natuurlijk meer ophoopt.

Soms komt het bloed in den vorm van roode strepen in de melk voor, ook

zonder dat er eenige ontsteking in de melkklieren aanwezig is. Men vindt

dan zwellingen in de zelfstandigheid der klier; het bloed stroomt met te

grooten aandrang naar enkele deelen, waardoor stoornissen in het

weefsel, scheuring der vaten ontstaan. Is niet meer dan het vierde deel

van den uijer aangedaan, dan geeft slechts een enkele speen bloedige

melk.

Om de ontwikkeling van dergelijke zwellingen tegen te gaan, kiest men de

afleidende methode, dat is, men prikkelt het darmkanaal met grooter of

kleiner giften zwavelzure magnesia, en laat het dier dieet houden. Men

hoede voorts de koe voor nat en kouden togt. Aanbevelingswaardig is het

baden en stoven van den uijer, in het bijzonder wanneer de aangedane

plaats gevoelig is, daartoe neemt men warm water of een warm afkooksel

van lijnzaad. Later bezigt men, zoo noodig, eene jodium bevattende zalf.

Onder het gebruik dezer middelen verdwijnt weldra de roode kleur der

melk. Somwijlen is de zwelling zoo gering, dat men haar over het hoofd

zou zien; in nog andere gevallen blijft zij geheel achterwege, en men

moet de bloeding toeschrijven aan verslapping der vaten van de

melkkanalen, waardoor het bloed gemakkelijk uitzweet, of aan het

scheuren van kleinere bloedvaten bij het melken. In zulke gevallen wordt

het jodium weder bijzonder aanbevolen; wij zouden meenen dat men bij

verslapping van het orgaan meer nut heeft van aromatische wasschingen.

In elk geval moet men daarop letten dat de koe zacht en behoedzaam

gemolken wordt. Men zie ook den stal na, opdat er niets gevonden worde

dat den uijer bij het liggen der koe beschadigen kan. Wordt het

verschijnsel door bloed pissen afgewisseld, dan is het geheele

vaatstelsel ziek, en bijaldien het toevoegen van zwavelzuur bij het

drinkwater geene verbetering brengt, raadplege men den veearts. Dr. F.

COHN vermeldt in zijn werk, »=Beiträge zur Biologie der Pflanzen=" een

geval van roode melk, ontstaan door Micrococcus prodigiosus, maar hij

geeft niet op hoe dit fermentplantje in de melk kwam.

* * * * *

=De blaauwe melk= maakte in de vorige eeuw reeds een punt van onderzoek

uit. Om het groote gewigt der zaak moeten wij bij dit gebrek iets langer

stilstaan. Wij beginnen met de waarnemingen van WIENERS te Gronau mede

te deelen. De melk, zegt hij, heeft somwijlen bij het verlaten van den

uijer reeds eene roodachtige of zwak blaauwe tint; menigmaal stremt zij

bij het koken. De eerste blaauwe vlekken ziet men na verloop van 24 uren

op den room ontstaan; later is de room vuil geel met blaauwe vlekken; er

loopen roode strepen over den room, waarop groene blaasjes drijven.

Room, wei en kaasstof liggen laagsgewijze schuins over elkander; aan de

eene zijde van het vat is de room, aan de andere de wei boven. De

vlekken hebben den meest verschillenden vorm; nu eens gelijken zij op

blaasjes, die boven den room uitsteken en er als beschimmeld uitzien;

zij dringen niet diep in den room; dan weder hebben zij overeenkomst

met sterretjes, liggen vlak op den room en zien er helder, frisch,

blaauwgroen uit. Soms nemen zij de geheele oppervlakte in en maken haar

volkomen blaauw. In andere gevallen bemerkt men roodachtige strepen. De

koeijen, welke deze zieke melk gaven, waren schijnbaar gezond; alleen

bij naauwkeuriger onderzoek werd men gewaar dat de spijsvertering in

ligten graad gestoord was. De boter van zulke melk gewonnen, was wit en

wasachtig, had echter een goeden smaak zonder eenigen reuk. In andere

gevallen werd de boter niet groot; zij bleef wit en week. Dikwerf zag

men het blaauwworden slechts in enkele melkvaten, terwijl de andere vrij

bleven, ofschoon men overtuigd kon zijn dat allen even zindelijk

gehouden werden (?). De melk van de eene koe werd blaauw, van de andere

niet, ofschoon alle beesten in dezelfde weide liepen. Het gebrek komt

vooral voor in streken, waar vette weilanden gevonden worden en men veel

klaver voedert, zeldzaam zoo ooit op heidegronden. Het meest heeft men

er last van in den nazomer en in den herfst van natte jaren, wanneer Z.

en ZW. winden de overhand hebben. WIENERS reikte aan de koeijen, welke

blaauwe melk gaven, belladonna en carum carvi; hij gaf hierbij ander

voedsel en deed bij de melk wat karnemelk. Hielp dit niet, dan maakte

hij gebruik van chloorwater in lijnzaad-afkooksel of van bittere,

aromatische middelen. Meestal bereikte hij zoo zijn doel.

Anderen vonden dat het voldoende was om het voeder tegen ander te

verwisselen en de melkgereedschappen ten allernaauwkeurigste te

reinigen. De melkkamer werd gelucht, uitgeschrobd, op nieuw gewit; de

melkgereedschappen eerst met heet water uitgewasschen, waarop zij

gedurende een uur in een loog van chloorkalk--een deel chloorkalk op

100 deelen water--verwijlden, vervolgens met laauw water nagespoeld en

gedurende minstens een dag buiten gezet werden; de zeven kwamen voor het

gebruik in eene oplossing van een deel koolzure soda in 24 deelen water.

De reiniging werd gedurende 8 dagen volgehouden.

De voornaamste waarnemingen en proeven over blaauwe melk zijn wij

verschuldigd aan den hoogleeraar HAUBNER. Zijn onderzoek heeft het

volgende opgeleverd:

melk, die later blaauw wordt, is bij het melken volkomen normaal en

blijft dit tot dat zij zuur wordt en stremt. Het blaauwworden volgt na

den eersten en voor den derden dag. Warm weder bespoedigt het proces,

koude houdt het tegen. Het blaauwworden begint aan de oppervlakte, niet

in de diepte. Let men goed op, dan ziet men dat de room op plekken, die

later blaauwworden, zijn glans verliest en een vuile, geelachtige tint

aanneemt. Eerst komen de punten en vlekken voor den dag; deze vergrooten

in omvang en diepte. Naarmate het kwaad minder of hooger graad heeft

bereikt, ziet men alleen oppervlakkige vlekken of neemt men het volkomen

blaauwworden van het vocht waar. Staat de melk in kleine vaten of wordt

het stremmen vertraagd, dan neemt de uitbreiding der kleurvorming toe.

In het algemeen wordt de kaasstof slechts daar blaauw, waar ook de room

dit is. Daar, waar room en wrongel blaauw geworden zijn, vindt men,

vooral bij melk die rijk is aan room, eene ongekleurde laag als grens

van den room. Naast de blaauwe vlekken op den room zijn de aangrenzende

ongekleurde gedeelten mat, zonder eenigen glans en van geelachtige

kleur. Niets dergelijks vindt men bij de ongekleurd gebleven kaasstof.

Deze blaauwe kleur der melk is onder de gewone omstandigheden het meest

gelijkend op zuiver indigo- of berlijnschblaauw; op den room is de kleur

donkerder, levendiger ook dan in de wrongel; zeldzaam slechts ziet men

het omgekeerde plaats grijpen.

Immer komt er een tijd waarop het blaauwworden niet verder gaat, zelfs

dan, wanneer slechts een enkel punt, ter grootte van een speldenkop,

blaauw is. Het begin en het einde van het blaauwworden hangen innig

zamen met het proces van het zuur worden der melk. Staat de melk langer,

dan komen er op de oppervlakte witte ruwe plekken, aan schimmelvorming

toe te schrijven. Naarmate de schimmels groeijen, wordt de blaauwe kleur

gewijzigd; zij wordt mat, gaat eerst in het groene, later in het graauwe

over, verbleekt meer en meer en blijft eindelijk als een vuil graauwe

tint bestaan. Het langst blijft de blaauwe kleur bij de wanden van het

vat. Heeft het gebrek zich krachtig ontwikkeld, dan wordt de oppervlakte

van den room door gasontwikkeling ongelijk en in blazen opgeheven; en

blijft de melk langer staan, dan ziet men alle verschijnselen van

rottende gisting geboren worden.

De tijd, waarop het gebrek voornamelijk wordt waargenomen, begint reeds

vroeg in den zomer en eindigt eerst laat in den herfst. In het eerst

ziet men enkele punten en vlekken op sommige vaten. Somwijlen blijft

het daarbij en verdwijnt het gebrek, gelijk het gekomen is, maar dit

geschiedt slechts zeldzaam; in den regel ziet men het in omvang

toenemen. De blaauwe vlekken nemen in aantal en grootte toe en

verspreiden zich over meerdere vaten; eindelijk is alle melk blaauw,

niet alleen op de oppervlakte, maar diep in het vat. Het verdwijnen

van het gebrek geschiedt even onregelmatig, nu eens langzaam, dan

plotseling; van daag is alle melk blaauw, morgen zoekt men te vergeefs

naar een spoor van kleur; van daag is de melk in alle vaten blaauw,

morgen zijn vele vaten vrij; in het eene vat gaat de kleursverandering

tot in de diepte, in een ander blijft zij bij punten aan de oppervlakte.

Van daag is de melk van deze koe blaauw, van gene niet, en morgen heeft

soms het omgekeerde plaats. Men heeft allerhande geneesmiddelen

beproefd; op de eene plaats brengen zij grondige genezing, in een

ander oord gedeeltelijke of geene. Hier blijven alle middelen zonder

uitwerking, en keert het gebrek jaarlijks terug; ginds geschiedt

niets, en het gebrek verdwijnt even onverwachts als het gekomen was.

De blaauwe melk is nog aan meerdere veranderingen onderhevig; de

geronnen melk is minder zuur, de kaasstof minder vast, er vormen zich

reeds vroegtijdig vibrionen, en de enkele bestanddeelen der melk gaan

gemakkelijk in ontleding over. De blaauwe tint is aan eene eigenaardige

kleurstof gebonden, en deze is aan snelle veranderingen onderhevig.

Reageert het vocht alcalisch, dan wordt de kleur bleekrood of

geelachtig; zuren brengen de oorspronkelijke kleur terug. Meestal is

de kleurstof aan de wrongel gebonden, maar zij is in de wei toch ook

waargenomen. De boter blijft altijd vrij, want de room is door de

caseine gekleurd. De veranderingen der melk geven zich te kennen door

eene van den regel afwijkende omzetting; de vorming toch van het

melkzuur houdt op, of beter gezegd, er vormt zich eene alkalische stof.

Gaat dit proces ongestoord voort, dan ziet men de kaasstof vervloeijen

en oplossen, de kleur veranderen, gelijk boven is opgegeven. Ondergaat

de kaasstof de meeste veranderingen, ook de wei blijft niet vrij. Men

heeft gezien dat zuivere, goed uitgewasschen boter nimmer blaauw werd;

wel geschiedt dit met boter die nog wei en kaasstof bevat. Scheidt men

de boter door aether af, dan verhindert men het blaauwworden; niet alzoo

wanneer men dierlijke kool bezigt--handelwijze van TROMMER--. Komt het

ferment in kaasstof, door lebbevloeistof en warmte afgescheiden, dan

vindt het daar een gunstigen bodem tot verdere ontwikkeling. Heeft men

de kaasstof door het vrijwillig zuurworden der melk, met of zonder

behulp van warmte verkregen, dan wordt zij niet blaauw. Hetzelfde

negatieve resultaat verkrijgt men bij zuivere wei, karnemelk en de

oplossing van melksuiker in water. Bijtende ammonia gaat het stremmen

der melk en het blaauwworden beiden tegen. Door toevoeging van salpeter

bij besmette melk kan men het blaauwworden voorkomen. Ook door creosoot

kan men de melk gedurende meerdere weken onveranderd bewaren; wordt

blaauwe melk met creosoot behandeld, dan sterven wel de vibrionen,

maar de melk behoudt hare aanstekende kracht (?). Enkele droppels

mostaardolie verhinderden het blaauwworden en de afgescheiden wrongel

was zeer vast. Melksuiker aan de melk toegevoegd bleef nu eens

werkeloos, dan weder ontwikkelde onder haar invloed de ziekte.

Verschillende zuren in geringe hoeveelheid toegevoegd leverden

uiteenloopende uitkomsten op: azijnzuur verhindert het blaauwworden;

zwavel-, salpeter-, zout- en zuringzuur hadden geen invloed, ten goede

noch ten kwade; phosphor- en hippuurzuur versnelden, slijmzuur

vertraagde het blaauwworden. Melkzuur ijzer riep kleursveranderingen in

de melk te voorschijn en vermeerderde de ziekte. Bragt men het ferment

op zaadmelk--emulsie--van amandelen, dan werd de oppervlakte blaauw als

bij de melk, niet zoo bij het mengsel van olijfolie, arabische gom en

water. Hetzelfde bespeurde men bij eiwit, bloedwei en dierlijke lijm,

hetzij men er melksuiker bijvoegde of niet. Planten-kaasstof wordt in

oplossing niet blaauw, wel echter wanneer na het stremmen de

bovenstaande vloeistof wordt afgegoten. Evenmin bespeurde men het

blaauwworden bij zetmeel, gekookte aardappelen, rijst, slijm van saleb,

althaea en zoethout, van arabische en tragacanthgom en suikerwater.

Uit al deze waarnemingen besluit HAUBNER:

1º. het blaauwworden, zoo als dat bij de melk voorkomt, is niet een

eigenaardig verschijnsel, alleen bij dat vocht waargenomen; ook bij

plantaardige stoffen komt het voor;

2º. overal is het blaauwworden aan de kaasstof zelve gebonden, zoowel

aan die van dierlijken als van plantaardigen oorsprong; de kaasstof is

derhalve de vruchtbare bodem en de draagster der kleur;

3º. het vet in de melk en de wei, benevens plantaardige olieën en andere

van planten afkomstige stoffen blijven verschoond;

4º. het blaauwworden der melk met al zijne opvolgende verschijnselen

vindt zijn oorsprong in een ontledingsproduct der kaasstof, zonder dat

de andere bestanddeelen der melk daar iets aan toe- of afdoen, behalve

misschien de melksuiker, welke door hare omzetting in melkzuur van

eenigen invloed is;

5º. het ontledingsproces der kaasstof begint met hare stremming; het

blaauwworden gaat voort, zoodra deze ingetreden is. De wrongel, in

oplossing of vast--door hitte gestremd--, is aan het blaauwworden niet

onderworpen, evenmin de vaste kaasstof, welke op nieuw werd opgelost;

6º. om de melk onder de gewone omstandigheden te doen stremmen, wordt de

tegenwoordigheid van een vrij zuur en de werking van dit op de kaasstof

geëischt; bij het gewone proces is dit zuur het melkzuur, uit de

melksuiker geboren;

7º. het zuur werkt alleen in zoo verre als het de kaasstof tot stremming

brengt; zonder stremmen volgt geen blaauwworden, zelfs bij de

aanwezigheid van vrij zuur. Is daarentegen het stremmen geschied, dan

gaat het vrije zuur de ontwikkeling en uitbreiding van het blaauwworden

in dierlijke en plantaardige kaas tegen. Naarmate het zuurworden der

melk en het stremmen der kaas tot eene vaste massa sneller gaat, naar

die mate is zij minder aan het blaauwworden onderworpen;

8º. het geheele proces van het blaauwworden is bepaald door de vorming

van een vrij alcali, en daarmede hangen ook de verdere verschijnselen te

zamen, als daar zijn: minder vast stremmen en opvolgende oplossing der

kaasstof, hare kleurveranderingen enz. Het eigenaardige der ontleding

van de kaasstof bij het blaauwworden wordt door het alcali te voorschijn

geroepen;

9º. geheel eigenaardig zijn het snelle blaauwworden en zijne groote

uitbreiding onder den invloed van phosphorzuur; de kleurschakering bij

hippuurzuur, salpeter en melkzuur ijzer, waarbij in het oog moet worden

gehouden dat hippuurzuur en salpeter, beide stikstof houdende ligchamen,

eene verwante, violette kleuring te voorschijn roepen; eindelijk het

toenemen van het blaauwworden door melkzuur ijzer bij melk, welke anders

weinig neiging tot blaauwworden heeft. Men kan deze verschijnselen tot

heden toe niet verklaren, maar er bestaat toch eenig vermoeden dat

bestanddeelen dezer stoffen--stikstof namelijk, phosphorus en ijzer,

die ook bestanddeelen van de kaasstof zijn--bijdragen tot vorming der

blaauwe kleurstof;

10º. hier moet nogmaals op den voorgrond gezet worden dat opgeloste

en volkomen geronnen kaasstof niet blaauw worden; dat vrij zuur noodig

is om het proces in te leiden, maar dat dit daarna den voortgang

verhindert; dat kaasstof in een alcalisch vocht in den regel niet blaauw

wordt, maar dat het blaauwworden immer vergezeld is van alcalische

reactie. Al deze verschijnselen vinden hierin hare verklaring, dat de

kaasstof eerst stremmen moet, zal zij verder ontleed worden; dat echter

het vaste stremmen en alles, wat dit bevordert, het ziekteproces

tegenwerkt.

Nadat HAUBNER eene critiek gegeven heeft der meeningen, die in zijn tijd

over de oorzaken en het wezen der blaauwe melk verbreid waren, eindigt

hij aldus:

1º. de oorzaak der blaauwe melk is niet bekend; wat men ook beweerd

hebbe, het zijn alle onbewezen veronderstellingen, die geen van allen op

goede gronden kunnen worden verdedigd;

2º. alleen weet men dat het gebrek zich als eene aanstekelijke of

besmettelijke ziekte verbreidt; elke invloed, welke verder als oorzaak

wordt opgegeven, is onbewezen en twijfelachtig;

3º. het ligchaam van het dier en zijne voeding oefenen invloed uit op

het blaauwworden der melk, maar de aard van dien invloed is onbekend,

even als de toestand van het dier en de zamenstelling van het voedsel,

welke het gebrek veroorzaken;

4º. de kleurstof der blaauwe melk is nog onbekend.

HAUBNER'S onderzoekingen strekken zich nu verder uit tot de giststof,

het ferment, waardoor het blaauwworden van de eene melk op de andere

wordt overgedragen. Hij bragt de verschillende bestanddeelen van zieke

melk in gezonde over en vond de volgende uitkomsten:

1º. elk bestanddeel der melk, dat blaauw geworden is, brengt de ziekte

op gezonde melk over;

2º. deze werkzaamheid houdt vroeger of later op, zelfs dan, wanneer het

blaauwworden nog voortduurt. Het langst blijft de gistkracht bij den

room bestaan, daarna bij de wei, terwijl zij het onzekerst is bij de

wrongel. Met blaauwe karnemelk kan men gezonde melk niet doen

verkleuren;

3º. neemt men witten of geel gevlekten room of witte wrongel uit een

vat, waarin op andere plaatsen blaauwe room of blaauwe caseine aanwezig

is, dan kan men met deze stoffen het blaauwworden niet te voorschijn

roepen;

4º. de giststof of het ferment heeft zich dus plaatselijk ontwikkeld,

evenals de kleurstof, en wordt door deze bepaald; maar ferment en

kleurstof zijn niet identisch;

5º. onderscheidene plantaardige stoffen, vroeger reeds genoemd, zooals

althæa, zetmeel, gom enz., bewaren en verdeelen het ferment, maar bouwen

het niet uit hare bestanddeelen op.

Verdeelt men een weinig blaauwen room, ter grootte van een erwt, op een

bierglas water, dan roept een weinig van dat water het blaauwworden van

gezonde melk te voorschijn, hetzij men het water meer van de oppervlakte

of onder uit het glas genomen hebbe. Na 6 tot 8 weken evenwel zetten

zich de vaste bestanddeelen als eene groene stof op den bodem van het

glas. Het bovenstaand water wordt helder en verliest zijn vermogen tot

gisten. Wordt zulk melkwater na eenige weken gefiltreerd, dan kan het

geen blaauwworden meer te voorschijn roepen; wat op het filtreerpapier

achterblijft, heeft het aanstekend vermogen behouden.

Is het ferment vlugtig? HAUBNER beantwoordt deze vraag bevestigend, op

grond der volgende proeven: HERING reeds had gezonde en blaauwe melk

onder een glazen klok naast elkander gezet; de eerste werd na weinige

dagen blaauw. FUCHS echter beweert dat hem die proef nimmer gelukt is.

Toen HAUBNER in zijne woning die proeven met kleine hoeveelheden melk

herhaalde, mislukten zij ook hem. Bragt hij vreemde melk in de

melkvertrekken van boeren, waar blaauwe melk slechts nu en dan gezien

werd, dan kleurde zij evenmin blaauw. Maar het blaauwworden bleef nooit

uit in vertrekken, waar het gebrek lang en uitgebreid geheerscht had.

Over de ontleding van het ferment schrijft HAUBNER:

1º. laat men blaauwen room op melk staan, dan behoudt hij zijn

gistvermogen in den zomer gedurende zes tot acht dagen; van dien tijd af

wordt de werking onzeker, en na 12 tot 14 dagen houdt zij geheel op. Is

het weder in den herfst koel, dan komen hier hoogstens 8 dagen bij.

Neemt men blaauwen room en droogt men dien op een glazen staafje, dan

plant zulk staafje de giststof na twee maanden en langer nog voort;

2º. blaauwe wrongel en wei bewaren onder gewone omstandigheden de

giststof in den zomer gedurende zes dagen, bij koel herfstweder 8 dagen

langer, al naar mate het zuurworden voortgaat;

3º. melk in water--vergelijk boven--bleef 6 tot 8 weken werkzaam;

4º. werd blaauwe melk toegevoegd aan dunne slijmige stoffen, dan bleef

zulk vocht 8 tot 14 dagen werkzaam, totdat zich volkomen

ontleding--zuurwording en rotting--openbaarde;

5º. men kan het ferment 5 jaren en langer bewaren, wanneer men het in

aanraking brengt met althæa, arabische of tragacanthgom, met zoo weinig

water bevochtigd, dat het geheel spoedig opdroogt;

6º. een warmtegraad van ongeveer -7° C. vernietigt het ferment niet.

Besmette melk, welke gedurende 14 dagen bevrozen had gestaan, werd na

afloop van dien tijd nog blaauw;

7º. het koken van water, waarin blaauwe melk verdeeld is, neemt het

gistend vermogen niet weg. Wordt blaauwe melk aanhoudend gekookt, dan

verliest het ferment zijne eigenschappen;

Handboek voor den kaasmaker in Nederland · 第 6 / 16 段