Eene andere hiertoe behoorende vorming is het vleeschgezwel--sarcoma--,

dat, hoezeer menigmaal bij de koe opgemerkt, zelden aan den uijer

voorkomt. Is dit echter het geval, dan wordt de melkafscheiding

geringer; zij verandert bovendien van hoedanigheid, bijaldien er ten

gevolge van sarcomatosis algemeen lijden ontstaat. En wijl de

voorspelling onder zulke omstandigheden ongunstig is, doet men het best

de koe onmiddelijk te slagten, voor dat vermagering gevolgd is.

Ook kanker komt soms aan den uijer voor; hier geldt wat boven gezegd is

over sarcoma: slagten voor dat vermagering intreedt.

* * * * *

Wordt de uijer gekwetst of beschadigd door stooten, slaan, het trappen

van andere dieren, door beten van honden en dergelijken, dan ontstaan

menigmaal etterende wonden. Is de uijer inwendig beleedigd, dan kan de

etter in de melkkanalen komen; is de wond uitwendig gelegen, dan mengt

zich het afgescheiden vocht met de melk, zoo de melker niet bijzonder

omzigtig te werk gaat. In beide gevallen ontstaan gebreken in de kaas.

Andere gebreken, zooals het gesloten zijn der spenen, verslapping der

banden van den uijer, het van zelf uitloopen der melk uit de spenen en

dergelijke meer, gaan wij stilzwijgend voorbij. Alleen de melksteenen

verdienen bijzondere vermelding. Komen toch deze voor de opening van het

afvoeringskanaal der melk, dan heeft men moeite om den uijer goed uit

te melken; en blijft er op den duur melk terug, dan verandert deze in

hoedanigheid, stremt soms in den uijer en bederft in elk geval de andere

gezonde melk. Laat zich de koe niet gewillig melken, dan zij men ook op

dit gebrek, hoezeer het zeldzaam voorkomt, bedacht.

Voor wij van dit onderwerp afstappen, moeten wij melding maken van een

nimmer falend teeken, dat den opmerkzamen melkboer bij tijds waarschuwt;

het is de hoeveelheid der melk, welke het dier geeft. Geen enkel orgaan

van het ligchaam der koe is zoo gevoelig voor de minste stoornis als

juist de melkklier. De geringste verandering in de verpleging van het

dier wordt merkbaar door de mindere hoeveelheid melk, welke het geeft.

Bij het dier zelf bespeurt men geen het minste teeken van ziekte of

onbehagen, integendeel, het is lustig en moedig, en toch is de

hoeveelheid melk verminderd. Laat de koe, die gewoon is op stal te

staan, buiten gelaten worden om te drinken of om den stal te reinigen,

en 's anderen daags geeft zij minder melk. Loopt de koe, die gewoon is

in den stal op eene vaste plaats te staan, los in den stal, zij geeft

minder melk. Geeft men haar ander voedsel dan waaraan zij gewoon is, dan

vermindert de hoeveelheid melk voor enkele dagen, ja langer zelfs, als

het nieuwe voedsel minder naar den zin van het dier is. De verstandige

landbouwer lette derhalve naauwkeurig op, of enkele zijner koeijen ook

minder melk geven dan zij gewoon zijn te doen; hij sla de ontvangen

waarschuwing niet in den wind, maar onderzoeke verder en ruste niet

voordat hij de oorzaak van het verschijnsel hebbe opgespoord, zoo

mogelijk, weggenomen. Vindt hij, na dat onderzoek, bij een zijner dieren

verdachte verschijnselen, dan voege hij de melk daarvan niet bij den

overigen voorraad.

Oefenen geringe oorzaken, gelijk de bovengenoemde, reeds zulk een

invloed uit op de afscheiding der melk, wat zullen dan stoornissen

in het spijsverteerings-orgaan der koe niet doen? Hier houden de

veranderingen niet op bij eene mindere =hoeveelheid=, ook de

=hoedanigheid= der melk laat te wenschen over.

Men veroorlove ons hier een kleinen zijsprong. De scheikunde leert ons

dat er ligchamen bestaan, welke bij dezelfde zamenstelling verschillende

eigenschappen hebben. Wij herinneren hier slechts aan den diamant en het

potlood; beiden bestaan uit koolstof, maar in den diamant liggen de

deeltjes regelmatig; niet alzoo in het potlood. Een ander voorbeeld

levert ons de phosphorus op; deze stof kan hoogst giftige eigenschappen

hebben of tamelijk onschadelijk zijn, en toch is zij in beide gevallen

dezelfde stof, namelijk phosphorus. Men kan door kleine kunstgrepen de

eene of andere wijziging willekeurig te voorschijn roepen. Hier hadden

wij te doen met enkelvoudige stoffen; bij de zamengestelde komt het

verschijnsel nog duidelijker uit: wij herinneren slechts aan de isomere

ligchamen. Terpentijnolie bijvoorb., citroen- en bergamotolie hebben

dezelfde zamenstelling C_{20}H_{16}, dat is, alle drie bestaan uit 20

deeltjes, noem ze atomen, koolstof en 16 atomen waterstof, en toch, wie

zal de eene olie met de andere verwarren? Elk heeft hare eigenaardige

kenteekenen. Het onderscheid moet gelegen zijn in eene verschillende

groepering der deeltjes, waaruit de zamengestelde stoffen bestaan. Maar

genoeg, men zal begrijpen waar wij henen willen en wij keeren tot ons

onderwerp terug.

Wij waren gebleven bij de stoornissen in het spijsverteeringsorgaan der

koe. Zulke stoornis geeft in de eerste plaats aanleiding dat de spijzen

niet volkomen verteren, dat zij derhalve ook niet al het nut doen, wat

men van haar mogt verwachten. Worden niet alle daarvoor vatbare deeltjes

der spijzen in het bloed opgenomen, dan kunnen die later natuurlijk ook

niet in melk worden omgezet. De koe geeft dus minder melk, even als of

zij te weinig voedsel bekwam.

Maar het kan ook zijn dat enkele stoffen uit het voedsel, welke

voornamelijk vet- of boter- en kaasstof in de melk geven, ten deele

gemist worden; in zulk geval bevat de melk of minder boter of minder

kaas.

Er is eindelijk een derde geval mogelijk; de voedingstoffen worden

opgelost en komen in het bloed, maar in andere dan de gewone

zamenstelling. De ligging der deeltjes bij de proteinestoffen der

melk--kaasstof, albumine, enz.--lijdt hieronder, en men erlangt uit

zulke melk wel kaas, maar kaas met geheel andere eigenschappen, gelijk

wij boven in het voorbeeld der isomerie aantoonden. Zijn de atomen in de

kaasstof losser verbonden, dat dit gewoonlijk het geval is, dan moet de

kaas later gemakkelijker ontleed worden; men krijgt verschillende

gebreken der kaas. Stoornissen in het spijsverteeringsorgaan hebben

derhalve den meest noodlottigen invloed op de hoeveelheid en

hoedanigheid der melk, en vervolgens op die der kaas.

Stoornissen in de verrigtingen van andere organen gaan natuurlijk ook

niet onopgemerkt voorbij; zij oefenen echter minder invloed op de melk

uit, tenzij het lijden een hoogen graad bereikt hebbe. Maar in het

laatste geval houdt de melkafscheiding geheel op.

Niets nu is gemakkelijker dan de werkzaamheid van den uijer voortdurend

gade te slaan; zij is een gevoelige maatstaf voor den welstand der koe.

Men mag als zeker aannemen dat er ergens eene stoornis plaats grijpt,

hetzij door verandering van voedsel, verpleging als anderzins, wanneer

eene verandering in hoeveelheid of hoedanigheid der melk wordt

waargenomen. De vermindering der melk bij ziekte der koe staat in regte

reden tot de hevigheid van het lijden.

Heeft men de oorzaak, welke de verandering der melk te voorschijn riep,

opgespoord, dan ligt het geneesmiddel voor de hand. Is het voedsel

de oorzaak, dan brengt men hierin verbetering, hetzij door grooter

hoeveelheid, hetzij door ander voedsel toe te reiken. Heeft men met

minder beteekenende stoornissen van maag en darmen te doen, zooals die

bij verkoudheid dezer organen ontstaan, dan zal meestal een ligt dieet

voldoende zijn; of men geeft de koe een zacht aromatisch middel, zooals

thee van fenkel of thijm. Bij meer ingrijpende ziekten raadpleegt men

den veearts.

De veranderingen, welke de hoedanigheid der melk door bovengenoemde

oorzaken ondergaat, zijn zeer menigvuldig. De melk kan meer of minder

vet, kaasstof, albumine of melksuiker bevatten, zonder dat een dezer

stoffen nog eenige verandering, door verplaatsing der atomen, ondergaan

heeft. Zulke veranderingen ontsnappen zelden aan de waarneming. Anders

is het gelegen, wanneer in een of meer hoofdbestanddeelen een wijziging

van zamenstelling voorkomt; bij het nazien der melk blijkt niet altijd

de fout: zij doet zich eerst voor bij de gevormde kaas.

Het voedsel moge in den regel eenigen invloed uitoefenen op het meer

of minder van deze of gene der hoofdbestanddeelen van de melk,

onloochenbaar is het dat in dergelijke gevallen in de melkklier eene

zekere neiging is om meer boter of meer kaas enz. dan het gemiddelde af

te scheiden. Deze neiging vindt men in de verschillende rassen; het eene

ras geeft meer boter, een ander meer kaas, van een derde is de melk meer

waterhoudend. Maar ontstaan veranderingen in de verhoudingen der

zamenstellende bestanddeelen plotseling of langzamer, bij eene

gelijkmatige voeding en verpleging en bij dieren, die tot dien tijd

niets van den regel afwijkends vertoonden, dan heeft dit met de rassen

niets uit te staan, maar zal men in de meeste gevallen het lijden van

eenig orgaan, in het bijzonder der spijsverteerings-werktuigen kunnen

aantoonen. Even vaak is de verhoogde werkzaamheid der geslachtsorganen

oorzaak van voorbijgaande veranderingen in de hoedanigheid der melk.

Zoodra de hoeveelheid van eenig bestanddeel grooter wordt, zien wij dit

gepaard gaan met vermindering van eene andere stof. Het spreekt van zelf

dat wij de veranderingen, welke de melk geregeld ondergaat, en welke

afhangen van den tijd, sedert het kalven verloopen, hier niet op het oog

hebben. Staan wij hier een oogenblik stil bij het geval dat het water

in de melk vermeerderd, het vetgehalte verminderd is; dit geval komt

dikwerf voor, ontstaat plotseling en verdwijnt menigmaal even snel. De

koeijen bij welke men zulk eene verandering van water- en vetgehalte in

de melk waarneemt, zien er oogenschijnlijk goed uit; zij gebruiken het

voedsel met den meesten smaak, en men vindt bij oppervlakkig onderzoek

niets, dat op ziekte of minder welzijn duidt. De hoeveelheid der melk

blijft dezelfde, de hoedanigheid alleen verandert. Vroeger zag de melk

wit of geelachtig wit, nu heeft zij een blaauwachtig witte tint. Laat

men de melk staan, opdat zich de room zal afscheiden, dan erlangt men

slechts een dun laagje geel gekleurd vet; de onderstaande melk is blaauw

van kleur.

De blaauwe kleur hangt af van de geringe hoeveelheid room; naarmate er

minder vetdeeltjes in het vocht, dat de kaasstof in oplossing houdt,

zweven, naar die mate is de vloeistof meer doorschijnend en ziet de melk

blaauwer.

Stelt men bij het dier, dat deze melk geeft, een naauwkeurig onderzoek

in, dan vindt men meestal dat het tijdperk van togtig worden genaderd

is, zeldzamer dat het spijsverteeringsorgaan minder geregeld werkt. Bij

andere koeijen, die duidelijk soms vrij hevige teekenen geven van het

togtig worden, laat zich de verandering in de melk gemakkelijk

verklaren; wij behoeven er hier niet langer bij stil te staan.

Nog onverklaarbaarder is voor den melkboer de verandering der melk,

wanneer zij door geringe stoornissen in de spijsbereiding ontstaat.

Hetzij men te doen hebbe met eene togtige koe, of met eene, bij welke de

maag van de kook is, in geen dezer gevallen behoeft men zich ongerust te

maken; na eenige dagen wachtens en het inachtnemen van dieet herstelt

zich de hoedanigheid der melk.

Komen in het voedsel der koe groote hoeveelheden van kalkzouten voor,

dan vindt men die ook in de melk terug. Ook bij sarcomatosis en bij

enkele ziekten van het beenstelsel is het kalkgehalte der melk te hoog.

Deze geven soms aanleiding tot het vormen van melksteenen, waarover wij

reeds gesproken hebben.

De meeste melkgebreken en vooral zulke, die onaangenamer gevolgen hebben

dan de tot nu toe besprokene, vinden hunnen oorsprong in eene gebrekkige

bereiding--zamenstelling--van de enkele bestanddeelen der melk.

Oppervlakkig bespeurt men niets afwijkends, wanneer de melk den uijer

pas verlaten heeft. Men moet dus het gebrek daaraan toeschrijven, dat

de zamenstellende deeltjes--atomen--van boter of kaasstof in hunne

onderlinge ligging iets onregelmatigs opleveren. Die ligging is meestal

zoo, dat de zuurstof der lucht zich gemakkelijk kan doen gelden,

waardoor stoffen ontstaan, welke in het gewone beloop der zaken in het

geheel niet of eerst veel later optreden. De ontledingen zullen zich nu

eens in grooter dan weder in geringer mate voordoen; ook de ligchamen

uit die ontledingen geboren zijn zeer verschillend van aard. Dit alles

hangt daarvan af dat een of meer bestanddeelen der melk gebrekkig

gevormd zijn, of dat de ligging der atomen in meer of minder mate van

de gewone afwijkt. Stoffen derhalve, welke den minsten weerstand kunnen

bieden aan uitwendige schadelijke invloeden, zullen eerder veranderd

worden dan die, welke door vaster aaneen-liggen der atomen moeijelijker

te ontleden zijn. De bestanddeelen der melk zijn in het algemeen meer

tot ontleding geneigd dan die der afscheidingsvochten van andere

klieren, omdat zij allen producten zijn eener ontleding, der

vet-metamorphose namelijk van de cellen der klier.

Wordt door de eene of andere oorzaak, door gebrekkige spijsvertering

bijvoorb., eene onvoldoende hoeveelheid voedsel opgelost en in het

bloed gebragt; is voorts de ligging der atomen in de opgeloste

voedingstoffen eene ongewone, dan moet de vorming der cellen in de

melkklier gebrekkig en hare inhoud een van den regel afwijkende zijn:

de melk wordt dan ontleed in stoffen, die niet gewenscht zijn, soms

wel in hare verwijderde bestanddeelen. Het microscoop stelt ons in

staat zulk gebrek aan te toonen. In zulke zieke melk vinden wij

colostrum bolletjes, of liever, zoogenaamde melkkogeltjes, welke aan

elkander kleven en daarom op de eerste gelijken; wel een bewijs dat de

proteineverbinding, welke het omhulsel voor de vetbolletjes geeft, hare

gewone zamenstelling mist.

De oorzaken, welke dit gebrek te voorschijn roepen, zijn, gelijk wij

reeds deden opmerken, stoornissen in de spijsvertering der koe, of

schadelijke invloeden, welke het geheele ligchaam aandoen, zoo als hooge

temperatuur, electrische spanning in den dampkring, doffe, heete

stallen. Deze gebreken der melk komen meestal in het warme jaargetijde

voor. Wij moeten hier enkele iets uitvoeriger behandelen en beginnen met

de

* * * * *

=Zure melk=. Dit gebrek, dat ook het =kazen= der melk genoemd wordt,

bestaat hierin dat de kaasstof zich te spoedig afscheidt; soms heeft

dit reeds bij het melken plaats of anders korten tijd daarna en bij

het verwarmen der melk. In enkele gevallen vindt men in den uijer

kleine hoeveelheden wrongel, die bij het melken te voorschijn komen.

Wij hebben dit gebrek boven reeds met een enkel woord herdacht. Hier

zij nog opgemerkt dat sommige ziekten der dieren, als klaauwzeer, echte

en valsche pokken, ontsteking van den uijer en dergelijke als oorzaak

gevonden zijn. Het gebrek kan ook ontstaan na het gebruik van zuur,

bedorven hooi, equisetum, bedorven spoeling. Meestal zal men de oorzaak

in uitwendige invloeden vinden; hiertoe behooren groote hitte,

electrische spanning van den dampkring, afwisselend warm en koud weder,

onreinheid der melkgereedschappen. Deze invloeden, welke bij elk

scheikundig proces werkzaam zijn, kunnen in de melk een ferment

ontwikkelen, dat echter tot heden nog niet voldoende bekend is. Loopen

de dieren in eene weide, waar zij niet tegen de felle stralen der zon

beschut zijn, dan ziet men soms uit deze oorzaak het gebrek ontstaan.

Het geneesmiddel om het te spoedig stremmen of zuurworden der melk te

voorkomen, ligt nu voor de hand; men neme de oorzaak weg, die het te

voorschijn roept, dat is, men trachte het dier te doen herstellen,

onttrekke het, zoo mogelijk, aan nadeelige invloeden en men zij bij het

melkgereedschap op grootere zindelijkheid bedacht.

Het vroegtijdig stremmen der melk kan men ook gedeeltelijk voorkomen

door haar snel af te koelen, of onmiddelijk na het melken op te koken.

Het zamenloopen der melk bij het koken wordt verhoed door de toevoeging

van eene kleine hoeveelheid koolzure potasch of koolzure soda; men kan

in het algemeen door zulke toevoeging melk langer bewaren en verder

vervoeren.

* * * * *

De =bittere= of =zoetachtig bittere melk= komt niet zelden voor. Aan

de melk is in de eerste oogenblikken, nadat zij den uijer verlaten

heeft, niets te bespeuren; eerst na langer staan neemt zij deze kwade

eigenschap aan. De room scheidt zich ongelijkmatig af; in sommige

gedeelten is hij geelachtig gekleurd, andere gedeelten hebben de gewone

of een meer vuile kleur. Men ziet nu en dan dat zich blazen op den room

vormen. Bij den hoogsten graad van het gebrek is het alsof er lijnolie

op den room ware uitgegoten. De wrongel ziet er aanvankelijk als de

gewone uit, of is minder vast geronnen. Room en kaas smaken aanvankelijk

zoet, later bitter. Bij langer staan bekomt de melk een ranzigen,

onaangenamen, rottenden smaak; zij heeft iets stuitends voor het oog

door de vele kleurschakeringen en blaasvormige verhevenheden. De boter

wordt moeijelijk afgescheiden, is week, smerig, heeft een slechten smaak

en wordt ligt ranzig; de kaas is eveneens week, smerig; zij bevat veel

vrij vet, droogt niet en gaat gemakkelijk in ontbinding over. Vroeger

zocht men de oorzaken van dit gebrek in den overgang van bittere stoffen

in de melk, hetzij door voedings-, hetzij door geneesmiddelen, welke een

bitteren smaak hebben, zooals gentiaan, of in ziekten van de lever,

waardoor de galstoffen in het bloed blijven en opvolgend in de melk

komen. Deze omstandigheden kunnen aan de melk een voorbijgaanden

bitteren smaak geven, maar dan is de melk bitter, zoodra zij den uijer

verlaten heeft, terwijl in het geval, dat ons bezig houdt, de melk eerst

later dien smaak en genoemde verkeerde eigenschappen aanneemt.

De oorzaak ligt hier weder in een gebrekkig omzettingsproces van de

enkele bestanddeelen der melk, waarbij de kaasstof eene verandering

ondergaat. Door deze verandering wordt de omzetting van melksuiker in

melkzuur tegengegaan; er ontstaat vrij vet door het gebrek in de

proteine-zelfstandigheid der omhulsels van de vetbolletjes, en er

ontwikkelt zich een ferment dat, op gezonde melk overgebragt, ook deze

bederft.

Als naaste oorzaken mag men aannemen: onrein melkgereedschap; het

bewaren der melk in vochtige, bedompte, warme kelders, kamers of

woonvertrekken; groote hitte en besmetting; doordat men het gebrek van

de zieke op de gezonde melk overbrengt, of de gezonde in vaten bewaart,

waarin bittere melk aanwezig was, en welke onvoldoende gereinigd zijn.

De behandeling van dit melkgebrek berust op de verwijdering der

oorzaken, welke aanleiding gaven tot het ontstaan. Voor alle dingen

verwijdere men de melk uit het woonvertrek, reinige de dompige kelders

en drage zorg voor zuivere, koele lucht. De melkgereedschappen behandele

men op de meest zorgvuldige wijze met heete loog of vernieuwt die

geheel. Is de melk door het gebruik van bittere stoffen of

geneesmiddelen bedorven, dan houde men met de uitreiking hiervan op, en

de bittere smaak zal korten tijd daarna verdwijnen. Is de lever van het

dier ziek, dan roept men den veearts.

* * * * *

De =rottende gisting= der melk is een gebrek dat veel overeenkomst heeft

met het vorige. De melk, welke binnen den tijd van twee of drie dagen,

den tijd derhalve, welke vroeger en op vele plaatsen thans nog voor het

afroomen noodig was, teekenen van ontbinding geeft, is gebrekkig bereid

in den uijer van het dier, tenzij de ontleding begint als een gevolg van

de slechte inrigting van het melklokaal. Dit gebrek kan ook ontstaan

door rottende melk, welke bij gebrekkige reiniging in de scheuren en

voegen der melkvaten terugblijft.

Wij zien deze ontbinding van in de melk aanwezige stoffen alleen daar

geboren worden, waar de melk lang staan en zuur worden moet, voordat de

room wordt afgeschept. In melkerijen, waar de room na 12 tot 24 uren

verwijderd wordt, en de melk derhalve nog zoet is, heeft men weinig

ondervinding van deze ontbinding; maar in zulke melkerijen heerscht ook

de grootste zindelijkheid en men bewaart daar de melk in de doelmatigste

vaten.

Bij de rottende ontleding of gisting der melk ziet men 48 of 60 uren na

het melken blazen op de oppervlakte ontstaan; zij breken de roomlaag

en geven aan de randen der scheuren een vuil gele kleur; de wrongel

is slijmachtig, smerig op het gevoel; eindelijk vormt zich

zwavelwaterstofgas, eene luchtsoort, welke aan rotting vrij standvastig

eigen en oorzaak van den stank is. Is de gebrekkige bereiding der melk

in den uijer van het dier de oorzaak der ziekte, dan is de melk iets

meer waterhoudend, maar smaak noch reuk laten de ongesteldheid

vermoeden. Eerst nadat zij twee dagen heeft bestaan, komen de

verschijnselen der ontleding voor den dag. De dunne laag room wordt door

de opstijgende gas verbroken en men ziet door de scheuren de caseine met

blaauwachtigen weerschijn in de wei drijven.

Wordt het gebrek door onreinheid van het melkgereedschap te voorschijn

geroepen, dan kondigt het zich niet veel vroeger en vrij wel onder

dezelfde verschijnselen aan.

De oorzaken, welke deze gebrekkige vorming der melk te voorschijn

roepen, liggen grootendeels in het voedsel. Geeft men de koe weinig,

slecht, gedeeltelijk bedorven voedsel, dat bovendien niet vele voedende

bestanddeelen bevat, zorgt men, eindelijk, te weinig voor hare

verpleging, dan zal de ziekte der melk maar zelden uitblijven. Maar een

boer, die zoo weinig zorg draagt voor zijn vee is zeker niet meer

oplettend, waar het op de zindelijkheid van zijn melklokaal aankomt.

Beide oorzaken gaan dus hand aan hand. Den denkenden lezer zij het

overgelaten het geneesmiddel te vinden: het ligt waarlijk niet ver

verwijderd.

* * * * *

=De slijmige melk=, of de melk, welke zich in draden laat trekken, ook

lange of spinnende melk genaamd, vindt haar oorsprong in gebrekkige

vorming der proteine-stoffen. De melk verraadt dit gebrek of terstond,

nadat zij uit den uijer genomen is, of na verloop van eenigen tijd.

Melk, welke kort voor of na het kalven gemolken is--biest, colostrum--is

slijmig, zooals ook die, welke bij hyperæmie, enz. van den uijer

gewonnen wordt.

Bij dit gebrek weet men waarin de gebrekkige vorming der proteinestof

bestaat; in plaats van de gewone hoeveelheid kaasstof wordt er, soms van

15 tot 20 proc., albumine gevormd.

Handboek voor den kaasmaker in Nederland · 第 5 / 16 段