Men vindt dit product op de graangewassen en het meest algemeen op de

rogge, ook op een groot aantal inlandsche grassen. Bij het schoonen van

de rogge moet het Moederkoorn weggeworpen en niet te gelijk met het

uitschoonsel tot veevoeder gebruikt worden, omdat er voorbeelden bekend

zijn dat dragtige koeijen en schapen, na het gebruik dezer

zelfstandigheid, hare jongen verworpen hebben. Na lang voortgezet

gebruik ontstaat de ziekte bekend onder den naam van droog versterf.

SIUM LATIFOLIUM. (pl. XXI). Breedbladerige Watereppe, bloeit in Julij

en Augustus, behoort tot het geslacht der Umbelliferae of Schermbloemen

en heeft, gelijk de meeste soorten van Watereppe--Sium--schadelijke

eigenschappen voor het rundvee en de schapen. De wortel is vooral in den

herfst nadeelig. Paarden eten haar zonder letsel. Zij groeit op vele

plaatsen aan de kanten der slooten.

TAXUS BUCCATA, Taxis of Taxus, ook wel Venijnboom geheeten. ~Fransch:~

l'If. ~Eng.:~ Yew-tree. ~Duitsch:~ Eibenbaum, Ifenbaum. Hoezeer deze

plant eene uitlandsche is, wordt zij niet zelden tot heggen aangekweekt.

De bladen en takjes van dezen boom zijn stellig vergiftig. Voor het

rundvee is het versche kruid nog nadeeliger dan het gedroogde. Paarden,

rundvee, schapen en geiten vreten het loof gaarne, maar men heeft

opgemerkt dat zij na het gebruik plotseling neervallen en sterven. Vele

zulke voorbeelden vindt men opgeteekend. In geringe hoeveelheid

genuttigd geeft de plant aanleiding tot afscheiding van bloederige melk

en van bloed in de piswegen.

UREDO RUBIGO. Roest. Onder de onvolkomenste der zwammen zijne vele

woekerplanten, welke op bladeren, stengels en vruchten gevonden worden.

Tot deze behoort ook de Roest, welke zich voor het bloote oog voordoet

als oranje-kleurige stippen en strepen op het blad van vele granen en

grassoorten, doch welke, bij het gebruik van een vergrootglas, blijkt

gevormd te worden onder de opperhuid der plant, welke opperhuid dan bij

verderen groei openbarst, zoodat de oranje-kleurige zaadkiemen der

roestplant als een fijn poeder te voorschijn komen. In het najaar is

de Roest op de grassen onzer weilanden soms zoo overvloedig, dat de

schoenen, bij het loopen over het gras, geheel oranje-kleurig worden. De

onderste bladen der granen zijn dikwijls roestig, maar als deze Roest

tot de hoogere bladen, de stengels en de aar zelve opklimt, wordt het

gewas hierdoor aanmerkelijk benadeeld. De ondervinding heeft voorts bij

herhaling geleerd dat het gebruik van roestig stroo tot voeder menigmaal

oorzaak was van gevaarlijke ziekten bij het vee.

Ongesteldheden der koe; gebreken van de melk.

Zal men goede kaas maken, dan moet men--wij hebben het reeds meermalen

gezegd--deugdzame melk hebben, welke laatste alleen van gezonde koeijen

verkregen wordt. Is de koe ernstig ziek, dan houdt meestal de

melkafscheiding op, en de boer raadpleegt den veearts; maar er zijn vele

ligte ongesteldheden, die wezenlijken invloed hebben op de zamenstelling

der melk, en in den regel door den landbouwer kunnen worden verholpen,

wanneer zijne aandacht slechts op die gebreken gevestigd wordt.

Een verstandig landbouwer zal zijn vee dagelijks nazien; de minder

ijverige ontvangt eene waarschuwing, wanneer hij gebrekkige kaas begint

te maken. Beiden kunnen nut hebben van enkele hier volgende opmerkingen,

de een bij het dagelijksch onderzoek van zijn vee, de ander, wanneer

hij, op de markt minder geld voor zijne kaas ontvangende, opschrikt uit

zijne zorgeloosheid.

Wilden wij hier echter alle, of zelfs maar de ligtere ongesteldheden,

waar aan de koe onderhevig is, behandelen, ons werk zou meer hebben van

een handboek over veeartsenijkunst, dan van eene handleiding om goede

kaas te maken. Wij moeten ons hier derhalve meer bijzonder bepalen tot

de deelen der koe, die met de melkafscheiding in het naauwste verband

staan.

En die deelen zullen meer aan ziekte onderhevig zijn, dan elk ander

orgaan der koe; dat ligt in den aard der zaak. In den uijer van de

melkgevende koe is in zekeren zin een verhoogd leven werkzaam; het bloed

stroomt in grooter hoeveelheid naar het geprikkelde, dan naar eenig

ander orgaan. De mensch tracht tot zijn voordeel dien prikkel te

onderhouden, zoo mogelijk te verhoogen, zoo dat een niet gering gedeelte

van het dagelijksch voedsel der koe in den vorm van melk terug ontvangen

wordt. Een dier, dat zoo behandeld wordt, kan natuurlijk minder

weerstand bieden aan nadeelige invloeden.

Wij zullen hier in de eerste plaats spreken over enkele ziektetoestanden

van den uijer, vervolgens over de veranderingen, welke de afgescheidene

melk ondergaat--gebreken der melk--.

De uijer is een zeer vaatrijk orgaan; krachtige slagaderen voeren het

bloed in groote hoeveelheid aan: dat is noodig, zal er veel melk worden

afgezonderd. Het bloed, dat de bestanddeelen tot vorming der melk

gegeven heeft, wordt door de aderen teruggevoerd, om in de longen

gezuiverd te worden en telkens nieuwe bestanddeelen uit het voedsel op

te nemen. Stoornissen in den afvoer van het bloed geven ophoopingen,

hyperaemieën genaamd.

Bij het begin van dit lijden neemt men zwelling van den uijer waar; de

omvang van dit orgaan is aanzienlijk vermeerderd. De warmtegraad der

huid, die den uijer bekleedt, is in den beginne iets hooger, later komt

de normale temperatuur terug. Ook bemerkt men zelden eene meerdere

roodheid der huid.

De uijer verraadt in het eerste tijdperk eene grootere vastheid, maar de

gewone veerkracht is niet te loor gegaan. In het geheele orgaan kan men

eene verhoogde spanning waarnemen. Drukt men met den vinger een kuiltje

in den uijer, dan verdwijnt dit terstond, nadat men met drukken ophoudt.

De dieren geven geene bewijzen van pijn, zelfs niet als men den uijer

drukt of hem uitmelkt.

De melkafscheiding heeft regelmatig plaats; deze is geelachtig van

kleur, heeft den eigenaardigen reuk van biest--colostrum--en reageert nu

eens zwak alcalisch, dan weder neutraal. De hoeveelheid is verminderd.

Na verloop van een of twee dagen ontstaat er zuchtige zwelling, welke in

regte reden is tot den graad der ongesteldheid en hare uitbreiding. Het

gezwel geeft toe aan de drukking van den vinger; er ontstaat eene

verdieping, welke eerst langzaam weder verdwijnt. Die zwelling bespeurt

men het eerst bij het onderste, digt bij de spenen gelegen gedeelte. Bij

hoogere graden der ziekte strekt zich de zwelling tot de schaamdeelen en

onder het lijf tot den navel uit.

Was de ziekte van ligter graad, dan vermindert de omvang der zwelling na

vier of vijf dagen, als wanneer de werking der klier meer geregeld

geworden is, en de laatste sporen verdwijnen meestal voordat acht dagen

verloopen zijn; alleen bij ernstiger lijden kan het gebrek veertien

dagen aanhouden.

De hier beschrevene soort van ophooping--hyperaemie--komt meestal voor

bij koeijen, die pas gekalfd hebben; de zetel der ongesteldheid is het

onderhuids-celweefsel. Maar ook het celweefsel van den uijer, het dieper

gelegen weefsel kan aangedaan worden. Dit laatste neemt men waar bij

koeijen, die geruimen tijd geleden gekalfd hebben. Dan treedt de ziekte

plotseling, zonder voorboden op. Koude vatten, togt, verhitting zijn de

aanleidende oorzaken.

De ziekte begint met zwelling van den uijer, even als in het vorig

geval. Maar die zwelling, welke zich eerst over het geheele orgaan

uitstrekte, verdwijnt gedeeltelijk, zoodat zij meestal in het vierde

gedeelte van den uijer blijft bestaan. De speen in dit gedeelte gelegen

geeft zieke melk.

Zeldzaam bespeurt men zuchtige zwelling--oedeem--; het gezwel zelf is

veerkrachtig; bij de aanraking met de hand geeft het dier teekenen van

pijn, vooral wanneer de aanraking geschiedt op het gedeelte van den

uijer, waarin het gezwel gelegen is. De warmtegraad is meestal niet

verhoogd; ook neemt men geene roodheid der huid waar. Behalve de

zwelling is de vermindering der melk uit de zieke speen het meest

kenschetsend teeken van het lijden. De melk uit die speen genomen is bij

het begin der ziekte bloederig.

Het vocht, dat zich bij den aanvang der ziekte in de melkaderen van het

aangedane deel ophoopt, heeft veel overeenkomst met bloedwei, waarin

geronnen kaasstof aanwezig is. Ook vindt men eiwit, melkkogeltjes en

epitheliumcellen.

Het beloop van beide ziektevormen is meestal goedaardig; ook zonder het

gebruik van geneesmiddelen houdt het lijden weldra op. Na vier tot acht

dagen zien wij de zwelling, ook al heeft zij een verontrustenden omvang

aangenomen, van zelf verdwijnen; na dien tijd is maar zelden een spoor

van zwelling in den omtrek van den navel of aan den uijer boven de

spenen waar te nemen. Het langst blijft het bewijs van vroeger lijden

bij de melk, uit de zieke speen, bestaan. De hoeveelheid der melk blijft

geringer en het microscoop kan 8 tot 12 dagen na het verdwijnen der

zwelling nog colostrum-ligchaampjes in de melk aantoonen.

In den regel loopen beide genoemde ongesteldheden gunstig af, en heeft

men geene geneesmiddelen noodig. Wel trachte men alles, wat nadeeligen

invloed op den uijer kan uitoefenen, te vermijden of te verwijderen.

Doet men dit, dan zal slechts zelden ontsteking ontstaan. Natuurlijk

geve men, gedurende den loop der ziekte, geene sterk voedende

zelfstandigheden; hierdoor vermindert men den aandrang van bloed naar

den uijer. Wanneer ten gevolge van den grooten aandrang bloedvaten

springen en bloed in den uijer uitstorten, dan vermindere men zelfs de

hoeveelheid van het ligt verteerbare voedsel, en geve men bij tragen

stoelgang een afvoerend middenzout, zwavelzure soda of zwavelzure

magnesia. Is de uijer bij aanraking bijzonder gevoelig, dan kan men

baden of omslagen van een lauw warm lijnzaad-afkooksel bezigen; blijft

de gevoeligheid bestaan, dan voegt men bij die omslagen een aftreksel

van hyosciamus of belladonna. In zulk geval zij men oplettend dat de

uijer niet door een kouden luchtstroom getroffen wordt. Zelden heeft men

de omslagen langer dan drie of vier dagen voort te zetten. Ook ledige

men herhaalde malen den uijer, waardoor men voorkomt dat de geronnen

kaasstof zich in de melkaderen ophoopt.

Is het dier hersteld, dan ga men slechts langzaam tot meer voedend

voedsel over. Wordt deze regel in den wind geslagen, dan herhaalt zich

de aandoening van de melkklier en loopt men bovendien gevaar om de maag

van het dier te overladen.

* * * * *

De ontsteking van den uijer is de tweede ziekte, waarop wij hier moeten

wijzen. De melkklieren bestaan uit de eigenaardige klierzelfstandigheid,

uit cel- en vetweefsel. In elk dezer weefsels kan ontsteking ontstaan.

Meestal is het celweefsel de zitplaats van het lijden, maar al blijft de

klierzelfstandigheid vrij, daarom houdt niet te min vaak, door de

storing van den bloedsomloop, de melkafscheiding op. Door de zwelling

van het celweefsel nemen de klieren, ja, de geheele uijer in omvang toe.

Uitwendige kenteekenen of het eene of het andere zamenstellende deel van

den uijer in het lijden begrepen is, bestaan er niet, en zijn voor ons

doel ook minder noodig.

De oorzaken, welke de ontsteking van den uijer kunnen te voorschijn

roepen, zijn menigvuldig. Den aanleg tot ontsteking bij het dier noemen

wij in de eerste plaats; vervolgens invloeden, welke niet alleen den

uijer, maar het dier zelf treffen, zooals kou vatten, enz.

Deze ziekte ontstaat vooral bij vochtig koud weder, dat in het algemeen

catarrhale, rheumatische ziekten te voorschijn roept, en groote

afwisseling van temperatuur. Op stal loopen de dieren gevaar, wanneer

zij aan den togt zijn blootgesteld. Maar ook ten gevolge van andere

ziekten, van uitslag ziekten, pokken, het klaauwzeer, wordt ontsteking

van den uijer geboren. Uitwendige beleedigingen, stooten, slaan zijn

soms de oorzaak der ziekte.

De ontsteking van den uijer is nu eens snel verloopend--acuut--, als

wanneer een algemeen lijden de plaatselijke aandoening voorafgaat, dan

weder is zij langzaam in haar beloop--chronisch--, en ziet men geen

algemeen lijden voorafgaan.

In het eerste geval zijn beide klieren of althans een groot gedeelte der

eene aangedaan; in het ander geval beperkt zich het lijden tot geringer

omvang, maar breidt zich toch later van het lijdende gedeelte over den

geheelen uijer uit. De kenteekenen, welke de plaatselijke aandoening

voorafgaan, zijn: vermindering van den eetlust, onregelmatig herkaauwen;

het haar is zonder glans en staat overeind; de blik van het dier is niet

helder. Het slijmvlies van den neus en het bindvlies van het oog zijn

rood, de pols is vol, golvend, tamelijk hard en snel, de adem kort en

versneld. De drekstoffen hebben grooter zamenhang. Al gaat de pislozing

regelmatig, toch is de hoeveelheid der pis verminderd en hare kleur

donkerder dan gewoonlijk. Nu en dan hebben de koeijen een aanval van

koude, kenbaar aan het sidderen der ledematen en de spieren van den

schouder en van het achterste gedeelte van den buik. De temperatuur is

over het ligchaam ongelijk verdeeld, zoodat de ooren, de horens en de

pooten nu eens koud, dan warm zijn. De dieren zijn zeer gevoelig voor

knijpen in de huid; drukt men den rug met de hand, dan zoeken zij die

drukking, hoe zacht die ook zij, te vermijden.

Aan den uijer is in dit tijdperk nog geen enkel teeken van ophanden

ziekte merkbaar; alleen de melkafscheiding is verminderd. Veelal worden

deze voorboden en de eerste kenteekenen van aanstaande ontsteking der

melkklieren over het hoofd gezien. Men wordt eerst opmerkzaam, wanneer

de uijer aanmerkelijk gezwollen is en de dieren hardnekkig elke

aanraking weigeren. Dit heeft meestal den volgenden of den derden dag

plaats.

Het deel van den uijer, dat door de ontsteking is aangedaan, is

gezwollen, hard en heet; meestal is de huid rood. Aanraking van het

zieke deel veroorzaakt belangrijke pijn; geen wonder dat het dier door

trappen en slaan die aanraking zoekt te ontgaan. Is een grooter deel van

den uijer ontstoken, dan geven de dieren groote onrust te kennen; zij

trippelen heen en weer, rusten nu eens op den eenen, dan op den anderen

poot, gaan liggen, maar staan even spoedig weer op, daar het zieke deel

bij het liggen gedrukt wordt, en geven door steunen de pijn te kennen.

In het zieke deel is de afscheiding der melk geheel, in het andere bijna

geheel opgeheven.

Heeft de ziekte haar hoogste punt bereikt, dan is de blik mat, de bek

droog, de pols hard, vol en zeer versneld, het haar zonder glans, de

huid droog, strak, de eetlust bijna geheel verdwenen. Het herkaauwen

blijft achterwege, ofschoon de dorst verhoogd is; de drekstoffen blijven

terug of zijn hard en met slijm bedekt. De spenen hangen slap neder.

Dit duurt zoo drie of vier dagen; de zwelling van den uijer neemt zelfs

nog toe, strekt zich van achter en in de hoogte, van onder tot aan den

navel en het borstbeen uit. Na het optreden van deze zuchtige

zwelling--oedeem--kan men uit de spenen eene geringe hoeveelheid troebel

vocht melken. Uit de speen van het zieke deel erlangt men bij het melken

geronnen kaasstof en gele of geelachtig witte wei; in zeldzame gevallen

is dit vocht met bloed vermengd. Soms kan men bij het melken noch

vloeistof, noch kaasstof verwijderen, en toch voelt men boven de speen

een hard ligchaam. In zulk geval brengt men den melkcatheter of eene

sonde in het melkkanaal. Deze komt met de geronnen kaasstof in

aanraking, en men is in de gelegenheid haar terug te schuiven, in

gunstige gevallen haar fijn te stooten.

Na den vierden of den zesden dag neemt de kracht der ontsteking af; de

zwelling verdwijnt langzamerhand en het dier herstelt. Soms is dit niet

het geval; de ontsteking neemt toe, tot naziekten of de dood volgt. Voor

het zoo ver komt heeft de melkboer, die zijn belang kent, het dier aan

den slagter verkocht; met het oog op ons onderwerp behoeven wij ons

derhalve niet verder in deze naziekten te verdiepen.

Herstelt de koe, dan komt de ontsteking tot oplossing, dat is, de

zwelling wordt minder en minder en verdwijnt eindelijk geheel en al.

Soms blijven er knobbels in den uijer, die eerst bij het opvolgend

droogstaan der koe langzaam wegslinken; in andere gevallen zijn de

knobbels blijvend, waardoor een grooter of kleiner deel der melkklieren

voor de afscheiding van dit edel vocht te loor gaat. Verloopt alles

gunstig, dan is de koe in vier of vijf weken hersteld; maar voor dien

tijd mag de melk niet tot kaasbereiding worden aangewend.

In andere gevallen is de ontsteking zoo hevig, dat zich abcessen vormen:

komt de etter in de melkkanalen, dan vindt men haar ook in de melk en

later in de kaas; geen wonder dat zulks tot bederf aanleiding geeft.

De ontsteking van den uijer kan ook slepend zijn; dan gaan er slechts

zelden algemeene verschijnselen vooraf, en men herkent haar aan de pijn,

die de koe bij het melken te kennen geeft, aan eene geringe mate van

zwelling en aan stoornis in de melkafscheiding. Ook hier begint het

lijden bij een gering gedeelte der klier en breidt zich langzamerhand

over den halven uijer uit, zoo dat de melk van een, twee of drie spenen

gezond kan zijn.

De veranderingen, welke de melk ondergaat, hebben betrekking op de

hoeveelheid en de hoedanigheid. Hoe vaak gebeurt het niet dat men die

in het eerst over het hoofd ziet. Dan toch is alleen de hoeveelheid

verminderd. Dit verschijnsel moet den boer opmerkzaam maken, want weldra

verandert de hoedanigheid en drijft de geronnen kaas in de melk.

Eindelijk verdwijnt ook de kaas en erlangt men eene vloeistof, welke met

eiwit overeenkomst heeft.

In twee of drie, hoogstens in vier weken heeft deze ontsteking zoo

zeer aan uitbreiding gewonnen, dat de helft der melkklier voor de

melkbereiding verloren is. Het dier geeft in dit tijdperk weinig

teekenen van pijn, maar aan den uijer voelt men duidelijk den verharden

knobbel.

In den regel wordt door den boer te weinig gelet op de slepende

ontsteking; hij herkent eerst het lijden, wanneer het zijn hoogste punt

bereikt heeft, en in al dien tijd werd de zieke melk mede verwerkt!

Gaven wij in het eerste gedeelte de zamenstelling van gezonde melk op,

hier moge eene ontleding van melk eener koe, lijdende aan slepende

ontsteking, hare plaats vinden. De onderzochte vloeistof bevatte op 100

deelen

water 92,976

vaste bestanddeelen 7,024

De 7,024 vaste bestanddeelen bestonden uit

eiwit 5,299

kaasstof 0,604

melksuiker en alcoh. extr. 0,293

inorganische { met albumine verbonden 0,073

bestanddeelen { » caseine » 0,121

{ » alcoh. extr. » 0,211

vet 0,423

Uit de groote hoeveelheid eiwit en het uiterst gering gehalte aan

kaasstof schijnt men te mogen besluiten, dat het onderzochte vocht veel

bloedwei bevatte. Wij zagen reeds dat de bloedwei bij gewone hyperæmie

eene gewigtige rol speelt; daar kwam zij echter in minder, hier in veel

grooter hoeveelheid voor.

Naarmate de ziekte tot genezing neigt, vermindert het eiwit en wordt het

gehalte aan kaasstof grooter, tot eindelijk de hoedanigheid weder die

van goede melk is. De hoeveelheid echter blijft voortdurend geringer.

Het microscopisch onderzoek der melk van koeijen, die aan hyperæmie of

aan ontsteking van den uijer lijden, heeft het volgende opgeleverd: in

het eerste tijdperk vindt men behalve geronnen kaasstof vetdeeltjes,

later klier-cellen en gedeelten van cellen uit de grootere kanalen;

stukjes epithelium uit de melkvaten en de spenen zijn lang niet

zeldzaam. De eerste vindt men ook bij het begin der ontsteking, wanneer

men om de geronnen kaasstof weg te nemen, sterk op de spenen en het

daarin loopend kanaal gedrukt heeft. De geronnen kaasstof vormt zich

meestal in de grootere melkkanalen; dit geschiedt vrij snel, daar men

die stof geregeld in de melk vindt, al ledigt men den uijer ook elk

uur. Dat wrongel in den uijer ontstaat is toe te schrijven aan de

gebrekkige bereiding der melk in deelen der klier, die wel vrij zijn van

ontsteking, maar toch niet alle stoffen kunnen opleveren, zooals zij in

gezonde melk voorkomen; ten anderen stroomt het bloed niet geregeld en

in voldoende hoeveelheid door het klierweefsel: welligt ontstaat hier

eene fermentstof.

De vloeistof reageert meestal alcalisch; men kan derhalve niet zeggen

dat het zuurgehalte de kaasstof doet stremmen. In weerwil van die

alcalische reactie zijn echter sommigen geneigd aan te nemen dat de

melksuiker ontleed wordt en zoo oorzaak is van het stremmen. 't Is waar,

men vindt in de vaste bestanddeelen der zieke melk slechts een gering

gehalte aan melksuiker en, naarmate de melk langer in den uijer

verwijlt, neemt de hoeveelheid gestremde kaasstof toe.

Ons onderwerp brengt niet mede om over de behandeling dezer ziekte uit

te wijden; men trachte de oorzaken, die haar ontstaan bevorderen, weg

te nemen en het algemeene lijden te verzachten. Het eerste door het

dier op stal te houden, het laatste door een purgeermiddel van eenig

middenzout--zwavelzure soda bijv.--te geven. De uijer wordt gebaad en

gestoofd, de melk meermalen daags weggenomen, enz. Later legt men op den

uijer een meelpap met watten en dekt het dier met een wollen deken,

zoodat de uijer voor togt gespaard blijft. Voorts zorge men voor ligt

voedsel, zooals wij dit bij de vorige ziekte aanbevolen hebben.

Ook bij de slepende ontsteking zorge men voor herhaald uitmelken, en

wrijft men het zieke deel met olie, of eene jodium bevattende zalf in.

* * * * *

Lijden de koeijen aan mond- of klaauwzeer of pokken, dan is meestal ook

de uijer in lijdenden, ontstoken toestand. En geen wonder, het gedurig

melken, dat de dieren in die gevallen veel pijn veroorzaakt, rijt de

vroeger ontstane zweertjes telkens weer open, zoodat zij al dieper en

dieper worden. Soms is de geheele speen eene etterende oppervlakte.

Herstelling kan men alleen dan verwachten, wanneer men den melkcatheter

aanwendt, zoodat de prikkel der hand achterwege kan blijven.

Soms echter, vooral bij pokken, is de ziekte zoo gering, dat zij over

het hoofd gezien wordt, en men begrijpt dat dit op de kaasbereiding weer

een nadeeligen invloed moet hebben. Ook op het algemeen lijden, dat aan

de pokken voorafgaat, wordt vaak te laat de aandacht gevestigd.

Bij de koe komen ook valsche pokken, verhevenheden, die overeenkomst met

pokken hebben, voor. Zij bezitten niet de smetstof van ware koepokken

en zijn ook niet geschikt om voor den mensch als vaccine te dienen.

Niettegenstaande dat besmetten zij de melk als zij aan den uijer of de

spenen voorkomen.

Bij klaauwziekte komt spruw--aphthae--aan de spenen voor. Ook hier

ontstaan zweren als de spruw door de hand van den melker voortdurend

geprikkeld wordt. Daarom doet men beter ook hier den melkcatheter aan te

wenden.

Neemt men zijn toevlugt tot geneeskrachtige kruiden of smeersels, dan

kan er van deze laatste iets in de melk komen, en men loopt al weder

gevaar om gebrekkige kaas te maken; daarom gebruike men de melk van

zulke zieke dieren niet als voedsel voor den mensch.

* * * * *

Tot de ziekten van den uijer behooren ook de wratten--verrucae--. Er

zijn slechts weinig koeijen geheel vrij van wratten; meestal zitten

deze uitwassen op de spenen, zeldzamer op de huid van den uijer, nog

zeldzamer in de kanalen der spenen. Deze wratten zijn van twee tot

vijftien mM. lang; aan de grondvlakte hebben zij eene doorsnede van een

tot vier millim. De wratten, welke zich op den uijer, tusschen de

spenen, ontwikkelen, hebben in enkele gevallen de grootte van een

kinderhoofd. Wanneer deze een grooten omvang bereiken, maken zij het

melken moeijelijk.

De wratten zijn in het algemeen uit hoornachtig weefsel gevormd; bij

de grootere komt een sterk ontwikkeld vaatstelsel voor; deze bevatten

ook meer celweefsel en hebben soms zachte, gele plekken, welke bij

nader onderzoek holten blijken te zijn, gevuld met weeke, gele stof,

overeenkomende met etter. Ontlast zich die etter naar buiten, wat bij

het melken of het wrijven, schuren der beesten gemakkelijk geschiedt,

dan verontreinigt hij de melk.

Kleine wratten knipt men af, en stipt de wond met helschen steen aan. De

groote, weeke wratten laten zich niet dan met het mes verwijderen, maar

men doe het liefst als de koe droog staat.

* * * * *

Beursgezwellen, cysten, komen over het algemeen zeldzaam aan den uijer

voor; zij vormen zich in het inwendige der klier en worden uitwendig

niet waargenomen. Ligt het beursgezwel in een enkel geval zoo, dat het

weggenomen kan worden, dan nog willen wij niet op de kunstbewerking

aandringen, tenzij het openraakt en eene etterende oppervlakte

blootligt; alleen in dat geval kan de melk verontreinigd worden.

* * * * *

Handboek voor den kaasmaker in Nederland · 第 4 / 16 段