wordt slechts dan verkregen als het dier gezond is en goed voedsel
bekomt. Wij hebben ons hier met het voedend vermogen der verschillende
stoffen wel niet af te geven, maar zijn toch verpligt de voornaamste der
scherpe, giftige en bedwelmend werkende planten te vermelden, daar zij
niet alleen nadeelig werken op de hoeveelheid en hoedanigheid der melk,
ja, de melkafscheiding soms geheel doen ophouden, maar ook voor de
gezondheid van het dier vaak zeer verderfelijk zijn. Deze planten geven
aanleiding tot allerhande ziekten, van welke het verwerpen van het kalf
wel de gevaarlijkste is, daar dit niet alleen het dier zeer aangrijpt,
maar in de gevolgen een groot melkverlies na zich sleept.
De narcotische en scherpe planten oefenen ten deele hare nadeelige
werking uit door dat zij de scheikundige zamenstelling van het bloed
veranderen en zoo gebreken in de melk brengen, ten deele door dat zij
storend inwerken op het zenuwstelsel, onder welks invloed de afscheiding
der melk staat. De melkboer moet derhalve niet alleen zijne zorgen
besteden aan het kweeken van nuttige, krachtig voedende planten; maar
hij moet er ook bijzonder op letten dat zich op zijne weiden geene
schadelijke gewassen ontwikkelen. Om de kennismaking met deze nadeelige
planten en hare eigenschappen gemakkelijker te maken, laten wij hier de
alphabetische lijst der voornaamste met hare afbeeldingen volgen. Wij
maken, om alle verwarring te voorkomen, in de eerste plaats gebruik van
de latijnsche of botanische namen, waarop wij, voor zoo verre ons die
bekend zijn, de hollandsche, fransche, duitsche en engelsche namen laten
volgen.
ACONITUM LYCOCTONUM Jacq: (plaat I.) Gele Monnikskap. ~Fransch:~ Aconite
Tue-loup. ~Duitsch:~ Wolfswurz, gelbes Wolfsgift, gelber Eisenhut.
ACONITUM NAPELLUS L. Gewone Monnikskap. ~Fransch:~ l'Aconit napel, le
Napel. L'Aconit à fleurs bleues. ~Eng.:~ the common Wolfsbane or
Monkshood; the blue Aconit. ~Duitsch:~ Eisenhütlein, blauer Eisenhut,
Kappenblume, Narrenkappe, Teufelsblume, gemeiner Eisenhut.
ACONITUM NEOMONTANUM en aanverwante soorten behooren tot de
Ranunculaceae of Boterbloemigen. De Aconiet, in Noord-Braband Stormhoed
genaamd, komt als eene vaste plant veel in tuinen gekweekt en ook enkele
malen verwilderd voor. Haar bloeitijd is in den zomer. Zij is eene
vergiftige plant, waarop de bijen dikwijls vergiftigden honig opzamelen;
wanneer men zich hierbij herinnert hetgeen over den vergiftigden honig
uit Rhododendron, Azalia pontica en Kalmia bekend is, wiens gevolgen
reeds de tien duizend grieken onder Xenophon in Klein-Azie ondervonden,
dan zal die opmerking zeer waarschijnlijk worden.
Ook voor dieren, als koeijen, geiten, paarden, katten, honden, wolven en
muizen is dit gewas een doodelijk gif. Met het afkooksel van den wortel
heeft men weegluizen gedood. Het gedroogde kruid schijnt voor paarden
onschadelijk. De bladen zijn soms met salade verwisseld en de wortel met
andere, eetbare knollen, bijv. Sellerij. Door kweeking schijnt dit gewas
een groot gedeelte zijner vergiftige eigenschappen te verliezen.
AESCULUS HIPPOCASTANUM. Paarden-Kastanje. In onze streken zal men de
koeijen niet vaak met kastanjes voeden; de melk, room en boter nemen,
bij dit voeder, een zamentrekkenden, in het bitter overgaanden smaak
aan.
AETHUSA CYNAPIUM L. (pl. II.) Kleine Honds-Pieterselie, kleine dolle
Kervel, wilde Eppe, wilde Pieterselie. ~Fransch:~ petite Ciguë, Ethuse.
~Duitsch:~ Gartenschierling, Glanzpetersilie, Hondspetersilie, tolle
Petersilie, Krötenpeterlein, Hundsdille, kleine Schierling, faule Grete.
Zij is een der vergiftige Umbelliferae of Schermbloemigen van ons
vaderland, welke in Julij en Augustus bloeit. Dit gewas gelijkt in blad
veel op Peterselie, maar is daarvan door een geheel anderen, walgelijken
reuk te onderscheiden. Wortel en kruid zijn scherp verdoovend, verwekken
maagkramp, braking, diarrhee en den dood.
ALISMA PLANTAGO L. (pl. III.) Gemeene Waterweegbree, groote
Waterweegbree. ~Fransch:~ Le Plantain d'eau. ~Duitsch:~ der gemeine
Froschlöffel. Deze plant behoort tot de familie der Alismaceae of
Waterweegbreeën; zij bloeit in de maand Julij. Men treft haar overal
langs vaarten, slooten en andere wateren aan, waar zij door haar
colossaal uiterlijk en hare groote eironde, gaafrandige en tot een
wortelrozet vereenigde bladen spoedig in het oog loopt. Schapen, rundvee
en paarden worden door het gebruik dezer plant ziek; alleen op de geiten
zou zij geen werking hebben. Ook gedroogd onder het hooi is zij
nadeelig; volgens LINDESTOLPE zou zij zelfs verlamming der achterbeenen
bij het rundvee veroorzaken. Het sap der bladen is zoo scherp, dat het
als blaartrekkend middel kan dienen.
ALLIUM VINEALE. (pl. IV.) Kraailook of Wijngaardslook, ook bekend als
Wildlook, Hondslook, Boerenlook, Wilde Knoflook of Wilde Uijen. Dit
gewas behoort tot de Lileaceae of Leliegewassen, bloeit in Julij, maar
is als een waar onkruid te beschouwen, zoowel in de weiden, waar het
aan melk, boter en kaas een onaangenamen sterken uijenreuk en smaak
mededeelt, als op de bouwlanden, waar het den grond nog al uitput en een
onaangenamen reuk aan de granen geeft.
Middelen tot verdelging bestaan er, zoover ons bekend is, geene andere
dan het uitwieden.
ANEMONE NEMOROSA. (pl. V.) Bosch-Anemoon of Melkwortel, ook wel
Bosch-Hanevoet of Windbloem geheeten. ~Fransch:~ Anémone des bois of
Silvie. ~Duitsch:~ Busch-Anemone of Weisse Osterblume, behoort tot de
Ranunculaceae of Boterbloemigen, bloeit in April en Mei en bevat scherpe
bestanddeelen, waardoor zij blaren trekt op de huid. Zij is schadelijk
voor runderen en schapen en wordt als eene der oorzaken van het
bloedpissen bij runderen beschouwd. Vele soorten van Boterbloemen en
Ranunculaceae in het algemeen zijn scherp, worden door het rundvee op de
weiden niet gegeten en zijn alzoo schadelijk, wanneer zij versch aan het
vee worden voorgeworpen. Door drooging schijnen zij echter hare scherpte
te verliezen, waarom zij in het hooi onschadelijk gerekend worden. Men
kan deze gewassen op de weiden overwinnen door die met schapen kort te
houden, maar wanneer zij reeds in bloei staan, worden zij zelfs niet
door de schapen en evenmin door de paarden gegeten.
ARTEMISIA ABSINTHIUM. (pl. VI.) Gewone Alsem of Aalst. ~Fransch:~
Armoise, Absinthe. ~Duitsch:~ Wermuth, behoort tot de Compositae, bloeit
in Augustus en wordt door het vee gegeten, maar geeft een bitteren smaak
aan de melk.
CALENDULA ARVENSIS. Akker-Goudsbloem werd tot nog toe niet anders
gevonden dan in de omstreken van Maastricht. Volgens een duitsch
schrijver kleurt deze plant de melk roodachtig, vooral wanneer het
gebruik lang wordt voortgezet.
CICUTA VIROSA. (pl. VII.) Waterscheerling; vergiftige of groote
Waterscheerling; tweede Water-Eppe, ook wel dolle Kervel genaamd.
~Fransch:~ Cicutaire aquatique; Ciguë vireuse. ~Engelsch:~ the
Water-hemlock. ~Duitsch:~ Wasserschierling; Wasserwütherig;
Watscherling; Wehdendunk; Berstekraut; Schirle; Largenkraut.
Deze plant behoort tot de Umbelliferae of Schermbloemen; zij bloeit in
Junij of Julij en groeit alleen in het water of op zijn hoogst aan de
kanten der slooten, nooit op het drooge.
Hoe schadelijk deze plant voor het vee is, blijkt uit eene waarneming
van LINNAEUS, vermeld in zijne Flora Lapponica, waarin wij tevens een
nieuw blijk hebben hoe nuttig voor den landbouwer grondige kennis der
natuur is. Te Tornoa, namelijk, was eene groote sterfte onder het
rundvee, vooral in het voorjaar, wanneer het voor het eerst weder op de
weilanden kwam. Men had te vergeefs naar de oorzaak van deze plaag
gezocht, totdat LINNAEUS ontdekte dat het vee, gedurende den winter
uitgehongerd, in het voorjaar den Waterscheerling tot voedsel nam.
Volgens LINNAEUS nuttigen paarden en geiten dit gewas zonder eenig
nadeel, hetwelk SCHWENCKE door eene opzettelijke proef bevestigd heeft.
Varkens echter zouden, volgens WEPFER, nadeelige gevolgen ondervinden
van het gebruik der Cicuta virosa, maar eene opmerking van GUNNER
spreekt dit tegen. GADD wil zelfs opgemerkt hebben dat vee door het
gebruik van water, waarin eenig sap van dezen wortel aanwezig scheen te
zijn, omgekomen was. Ook voor honden, wolven en sprinkhanen is de
Scheerling een doodelijk gif.
COLCHICUM AUTUMNALE. (pl. VIII.) Najaars-Tijdloos. ~Fransch:~ Colchique
d'automne; Tue-Chien. ~Engelsch:~ the common meadow Saffran. ~Duitsch:~
Herbstzeitlose; Wiesenzeitlose; Wiesensafran; Michelsblume; Lichtblume;
Strockenbrod; Winterhauchen; Spinnblume; Matsafran.
Deze plant, tot de Colchicaceae of Tijdeloozen behoorende, bloeit in het
najaar met eene geheel naakte rozenrood-paarsche bloem en draagt niet
voor het volgend voorjaar bladen en, tusschen deze bladen, de rijp
wordende vruchten. Zaden en bollen zijn voor mensch en vee een
wezentlijk vergift, zoodat de plant op de weiden behoort uitgeroeid te
worden. Door uitboren vernietigt men den bol. De dieren laten het gewas
op de weilanden gewoonlijk onaangeroerd staan, hetwelk gelukkig is. Toch
zag men in het oostenrijksche Krain er groot nadeel van voor de koeijen,
doch minder in den herfst dan in andere jaargetijden. Opzetting der
liezen is een van de eerste verschijnselen der ziekte. Een kalf dat van
de bloemen gegeten had, stierf na twee dagen. Een huishond stierf na het
gebruik van 8 grammen van den wortel. Bij de koe veroorzaakt dit gewas
het verwerpen van het kalf--miskraam of vroeg-geboorte. In ons land komt
deze plant enkel op vochtige weilanden langs de Maas en den IJssel voor.
CONIUM MACULATUM L. (pl. IX.) Gevlekte Scheerling of dolle Kervel.
~Fransch:~ la grande Ciguë; la Ciguë ordinaire. ~Engelsch:~ the common
Hemlock; the Kex. ~Duitsch:~ gefleckter Schierling; Hedschierling;
Wuthschierling; Wütherig; Tollkorbel; Bonzenkraut; Ziegenkraut;
Vogeltod; Rülberkern; Teufelspeterlein; Schornpiepe; Wagendünk.
Deze gevaarlijke plant behoort tot de natuurlijke familie der
Umbelliferae of Schermbloemen; haar bloeitijd valt in de maanden Julij
en Augustus. Zij komt voor langs wegen, bouwlanden en in tuinen en is
zeer vergiftig. Het vee is afkeerig van haar, maar varkens, die van de
plant gegeten hadden, stierven een kwartier uur later. In het hooi
schijnt zij minder schadelijk te zijn. Ook schapen en geiten vreten haar
zonder nadeel.
EQUISETUM ARVENSE. (pl. X.) Akkerpaardenstaart, ook Hermoes, Heringmoes,
Roobol, Roebol, Unjer en Kattenstaart genaamd. ~Fransch:~ la Prêle des
champs. ~Duitsch:~ Ackerschafthalm, Schachtelhalm, Schaftheu;
Katzenwedel; Zinnkraut.
Dit gewas behoort tot de Equisetaceae of Paardenstaartigen en is in
Maart of April vruchtdragend. Men acht het schadelijk voor het rundvee,
maar het wordt gelukkig slechts zeldzaam in wei- en hooilanden gevonden.
Geheel onschadelijk voor het vee is het Equisetum limosum, in
Zuid-Holland Pijpkruid of Pijphermoes, ook Rijt geheeten, in Groningen
Lidruske en Holpijp genaamd. Gevaarlijk daarentegen is het
EQUISETUM PALUSTRE, Hermoes, ook Heringmoes, kleine Waterpaardenstaart
of Moeraspaardenstaart geheeten. In Overijssel en Noord-Holland wordt
deze plant Unjer genoemd, in Zuid-Holland Kwadenaard of Kwadernaat, in
Groningen en Drenthe Onnijt en Lidruske, ook Ruigebol Roobol of Roebol.
Gaat men op de hollandsche namen af, dan schijnt men het Equisetum
arvense en het E. palustre meermalen met elkander verward te hebben. En
nu moge het E. limosum of de kleiminnende Paardenstaart onschadelijk
voor het vee zijn, toch wordt geene enkele soort van Paardenstaart
gaarne op het land gezien; integendeel men moet er zich op toeleggen om
de weilanden van deze lastige en zeer sterk vermenigvuldigende planten
te bevrijden.
Men heeft voor dit gewas het spreekwoord: »der paarden brood, der
koeijen dood." De plant is zeer schadelijk, vooral voor melkvee, dat na
het gebruik minder en wateriger melk geeft. Zelfs in het hooi behoudt
zij hare nadeelige eigenschappen. Men heeft opgemerkt dat de melk na het
gebruik dezer plant slijmig en blaauw, soms bitter wordt. Ook geeft zij
aanleiding tot het ontstaan van vele ziekten als: het verwerpen van het
kalf, bloedpissen, buikloop, opblazen van den darm, vermagering, enz.
Een regenbui op het hooi neemt, zegt men, iets van de schadelijke
eigenschappen weg (?). Als geneesmiddel wil men zwavelzuur ijzeroxydule
aangewend hebben, omdat dit ijzerzout met de looistof der plant eene
onoplosbare verbinding aangaat. Wij betwijfelen echter of de looistof
wel het ware schadelijke der plant uitmaakt; liever willen wij aannemen
dat de tandjes, waarmede de randen der schede van dit gewas bezet zijn,
eene verwonding van de maag--de boekpens--der koe veroorzaken. Die
tanden zijn zeer fijn, van hoornachtige geaardheid en kunnen derhalve
gemakkelijk verwonding van het ingewand teweegbrengen. Maar ook de
stengel is om dezelfde of om dergelijke oorzaak gevaarlijk; men vindt op
dezen stukken verhard kiezelzuur, zoo hard dat zij den nagel afvijlen.
In vele lage streken van Zuid-Holland is deze plant zoo algemeen en als
schadelijk bekend, dat het land verdeeld is in kwadenaardsland en in
goedenaardsland, in welk laatste namelijk het Equisetum ontbreekt; beide
soorten van land worden door 8 voet diepe slooten afgescheiden, wijl bij
mindere diepte der slooten de kruipende wortelstok onder den bodem der
sloot doorgaat en het goedenaardsland besmet.
Onder de overige middelen om dit kwaad te beteugelen telt men, volgens
VAN HALL; 1º eene drooge ligging van het grasland; 2º eene krachtige
bemesting, vooral met varkensmest en gier, waardoor de zode in kracht
toeneemt en de Hermoes onderdrukt; 3º als het blijkt dat deze middelen
niet genoegzaam baten, het herhaald overrollen van het land, of het
overtrekken met een zoogenaamden hort, zijnde eene ruitvormige
vereeniging van kantige balken. Het, herhaaldelijk in eenen zomer,
knakken der stengels schijnt dit onkruid ten laatste geheel te doen
omkomen.
Behalve deze middelen raadt VON LENGERKE ook aan om hermoezig land over
te mennen met zand, dit te mesten met varkensmest, en daarop haver en
graszaad uit te zaaijen, hetwelk den wasdom der hermoes althans
onderdrukt; voorts het gebruik van delfstoffelijke meststoffen,
waaronder welligt het zwavelzuur ijzer te beproeven ware.
Euphorbiaceae of Wolfsmelkachtige gewassen bevatten een scherp melksap,
dat bij de geringste verwonding uitvloeit. Het verwekt, in het
darmkanaal gebragt, brakingen en purgeren, in grootere giften den dood
door ontsteking van dat ingewand. Het inlandsche geslacht Euphorbia,
Wolfsmelk, verdient meer bijzonder onze aandacht; alle soorten van dat
geslacht zijn schadelijk, maar bepaaldelijk de volgende:
EUPHORBIA CYPARISSIAS L. (pl. XI.) Cypresbladige Wolfsmelk. ~Fransch:~
l'Euphorbe à feuilles de Cyprès. ~Duitsch:~ Cypressen Wolfsmilch;
Teufelsmilch; Hundsmilch; Krötenkraut. Zij groeit zeer algemeen in de
nabijheid van den IJssel; in de aan zee gelegene, door aangespoeld land
gevormde provincien, schijnt zij niet voor te komen.
EUPHORBIA ESULA L. Stompbladige Wolfsmelk, ook kleine Esula of kleine
Spurge. ~Fransch:~ l'Euphorbe Esule. ~Duitsch:~ gemeine Wolfsmilch,
Eselsmilch; Hundsmilch. Deze soort groeit voornamelijk langs de
IJsselboorden.
EUPHORBIA GERARDIANA W. Spitsbladige Wolfsmelk. Ook deze soort groeit
aan den IJsseldijk; men vindt haar langs de Lek en de Waal.
De drie genoemde soorten bloeijen in Junij en Julij, zij zijn
overblijvende gewassen, die jaarlijks nieuwe stengels vormen.
EUPHORBIA PALUSTRIS of moeras Wolfsmelk, groote Spurge, Duivelsmelk,
groeit vooral in de lage weilanden van Holland.
Alle soorten van het geslacht Euphorbia zijn gemakkelijk te onderkennen,
en wie ooit eene soort gezien heeft, zal ook de andere spoedig voor
soorten van Wolfsmelk herkennen. Daarom hebben wij slechts eene, de
Euphorbia cyparissias, afgebeeld.
Allen bevatten het scherpe, bijtende melksap in vrij groote hoeveelheid,
zoodat zij zelfs tot het wegbijten van wratten gebruikt worden.
Over het algemeen laat het vee deze soort van planten onaangeroerd
staan; vreet het haar, dan ziet men er al spoedig de nadeelige gevolgen
van. Bij schapen ontstaat roode loop en bij het rundvee verkrijgt zelfs
het vleesch een onaangenamen smaak. Volgens sommigen zou de melk der
geiten door E. Esula eene purgerende werking verkrijgen. De Euphorbia
peplus, de Duivelsmelk, Hexenmelk, Kroontjeskruid, kleine Spurge of
Tuinwolfsmelk wordt door de schapen gegeten, doch verwekt diarrhee.
FAGUS SYLVATICA, Beukenboom, Boekenboom, Beuk. De Beukenboom is bekend
genoeg, even als de veel olie bevattende beuknoot of beukel. Volgens
HAUBNER zijn koeken van beuknoten vergiftig voor paarden en ezels;
MIQUEL geeft op dat zij ook voor varkens schadelijk zijn. Blijft het
rundvee onder het gebruik dier koeken al gezond, dan is toch de melk
waterhoudend en geeft minder kaas. Deze koeken komen echter in ons land
weinig voor, omdat hier hoogst zelden olie uit de beuknoten geslagen
wordt.
HIERACIUM PILOSELLA (pl. XII.). Muizenoor of langharig Havikskruid.
Muisoor bloeit in Junij en Julij, behoort tot de Compositae en is als
onkruid op de weiden te beschouwen, daar paarden en runderen het niet
eten, en het voor de schapen nadeelig is; het brengt bij deze laatste
dieren verstoppingen te weeg. Dit wordt bevestigd door LENGERKE, die
deze plant beschrijft als onaangenaam voor het vee, nadeelig werkend
op de melk, en voor de schapen in het bijzonder zeer schadelijk.
HYDROCOTYLE VULGARIS. (pl. XIII.) Waternavel of Navelkruid behoort tot
de Umbelliferae of Schermbloemen en bloeit in Junij.
Het plantje is zeer scherp en hierdoor voor het vee, in het bijzonder
voor de schapen, zeer nadeelig. Het veroorzaakt inwendige ontstekingen
en is een der oorzaken van het bloedpissen. Men weet dat lage,
moerassige weiden ongezond zijn voor de schapen; voor een gedeelte is
dit toe te schrijven aan dit giftig gewas.
MYOSOTIS PALUSTRIS. (pl. XIV.) Water Muizenoor of Vergeet-mij-niet.
~Fransch:~ Myosotis vivace of Oreille-de-souris. ~Duitsch:~
Sumpfvergissmeinnicht, vindt men in de familie der Borraginaceae of
Ruwbladigen, bloeit in Junij en Julij met fraaije, naar evenredigheid
der andere soorten vrij groote, helder blaauwe bloemen, en groeit in
moerassige oorden. Zij is schadelijk voor het vee, in het bijzonder voor
de schapen, waarom men haar in Overijssel den naam geeft van Schapengal.
NARTHECIUM OSSIFRAGUM. (pl. XV.) Moeras Narthecium; gele
Water-Affodillen, in Groningen ook wel wilde gerst of Cipelgras genaamd.
Deze plant kenmerkt zich onder de Liliaceae of Lelieachtigen terstond
door het gemis van een bol en het bezit van een kruipenden wortelstok.
Het Cipelgras bloeit niet in April of Mei, zoo als de meeste
Lelieachtigen, maar in Julij of Augustus. In veenachtige streken en
op de eigenlijke hooge veenen is het lang niet zeldzaam. Zoo als de
latijnsche soortsnaam aanwijst, zou het eten van deze plant de beenderen
van runderen en schapen week maken en ten laatste doen breken. Hoewel
dit nu, volgens DE GORTER, door de ondervinding hier te lande niet
bevestigd is, zoo wordt zij evenwel voor eene voor het vee schadelijke
plant gehouden, ook in het Westerwoldsche. Een kundig waarnemer heeft
evenwel aan den hoogleeraar KOPS verzekerd dat het rundvee, hetwelk
weidt op de Bergumerheide, waar deze plant in groote menigte groeit, ten
laatste zeer zwak in de beenderen wordt, zoo dat van sommigen de pooten
breken.
OENANTHE FISTULOSA L. (pl. XVI.) Pijpachtig Torkruid; welriekende
Waterbiezen. ~Fransch:~ l'Oenanthe fistuleuse. ~Duitsch:~ Tropfwarz;
Wasserstein; breitröhrige-Rebendolde; Drüswurz.
Het pijpachtig Torkruid, een der Umbelliferae of Schermbloemen, groeit
op vele plaatsen aan de kanten der slooten en in vochtige weilanden. Het
bloeit in Julij en Augustus. Deze plant is schadelijk voor het rundvee;
de wortel vooral is vergiftig, en, als de bladeren door de runderen
gegeten worden, dan verkrijgt de boter hierdoor een scherpen en
onaangenamen smaak. Ook het verschilbladige Torkruid, hier en daar
bevernelbladig T. genaamd, oenanthe pimpinelloides L., is een inlandsch
en waarschijnlijk schadelijk gewas.
PARIS QUADRIFOLIA L. (pl. XVII.) Vierbladig Pariskruid. ~Fransch:~
Parisette; Etrangle-loup. ~Engelsch:~ Oneberry. ~Duitsch:~ die Einbeere;
Wolfsbeere; Wolfskirsche; Einbeerkraut; Sternkraut; Parisbeere;
Schweinsauge; Sauauge.
De vierbladige Paris is eene der vreemdste Eenlobbigen van ons
vaderland, en onder de Aspergieachtige planten vooral gekenmerkt door
hare bloembekleedselen, die uit twee kransen van in het geheel niet op
elkander gelijkende blaadjes bestaan, en dus eigenlijk een waren kelk en
eene bloemkroon, en geen bloemdek vertegenwoordigen. Zij bloeit van Mei
tot Junij en na den bloeitijd vindt men op de plaats der bloem eene
groote blaauwzwarte bes.
De plant heeft verdoovend vergiftige eigenschappen en is ook eenigzins
scherp. De versche bladen en bessen hebben een onaangenamen en
verdoovenden, de wortel een meer vlugtig scherpen reuk; de wortel is
braakverwekkend en de bladen werken als een scherp purgeermiddel. Voor
het rundvee en de vogels is deze plant vergiftig.
PEDICULARIS PALUSTRIS. (pl. XVIII.) Moeras Kartelblad; IJzerhorde; roode
Horte; roode Schartelen of Honger; Fistelkruid of Luiskruid. ~Fransch:~
Pédiculaire des marais. ~Engelsch:~ Rattle. ~Duitsch:~ Sumpf-Laüsekraut.
Het moeras-Kartelblad wordt gebragt tot de familie der Rhinanthallae of
Rinkelbloemen; het bloeit van Mei tot Julij. Pedicularis palustris is
eene der schadelijkste planten onzer moerassige graslanden, vooreerst
omdat zij door het meeste vee niet gegeten wordt, en ten tweede omdat
zij, na werkelijk genuttigd te zijn, aanleiding geeft tot het ontstaan
van verschillende kwalen. Bij de schaapherders staat deze plant in zeer
slechten naam; zij brengt eene soort van waterzucht bij het wolvee
teweeg, waarvan slechts zeer weinig dieren herstellen.
MIQUEL noemt deze, evenals de andere soort van Kartelblad, het
bosch-Kartelblad, onder de scherpe planten, welke hevige toevallen,
diarrhee, bloedpissen en ontsteking der ingewanden bij het vee
veroorzaken. Hij verhaalt dat het poeder, als middel tegen ongedierte op
het hoofd van den mensch gestrooid, nadeelige gevolgen teweeg brengt;
dat daarentegen geiten geen nadeel van de plant ondervinden, die,
volgens POIRET, mede door varkens gegeten wordt.
In het algemeen moet men trachten het Kartelblad zoo veel mogelijk uit
te roeijen, wat men het best zal verkrijgen door aan het land een zoo
veel doenlijk drooge ligging te geven. Door hoogen ouderdom wordt de
stengel hard, dat bij het maaijen van het gras last geeft en welligt
met den naam van ijzer horde of horte in verband staat.
POLYGONUM HYDROPIPER. (pl. XIX.) Waterpeper of scherpe Duizendknoop
bloeit van Julij tot September en wordt gerangschikt onder de
veelknoopige planten of Polygonaceæ. In Groningen wordt deze plant
Bittertong genaamd. De schapen laten haar staan, maar bij het rundvee
veroorzaakt zij in kleine giften bloedpissen, bij grooter hoeveelheid
genomen ontsteking der ingewanden.
RANUNCULACEÆ, zie Anemone nemorosa.
SCLERATIUM CLAVUS; SPHACELIA SEGETUM of SECALE CORNUTUM. (pl. XX.)
Moederkoorn; Spoor; Hanespoor; Kraaijenbekken; Ooijevaarsbek;
Hanepooten; Wolfstand; Zwarte Broodjes. ~Fransch:~ l'Ergot. ~Eng.:~ the
Spur. ~Duitsch:~ das Mutterkorn.