Men heeft opgemerkt dat, wanneer de vorming van melkzuur pas begonnen

is, of wanneer men aan de melk slechts geringe hoeveelheden van

bovengenoemde zuren toevoegt, de kaasstof zich niet terstond afscheidt,

niettegenstaande de zure reactie van de melk; deze moet, zal het

verschijnsel plaats grijpen, eerst verwarmd worden. De verbinding van

kaasstof en alcali is derhalve tamelijk innig; de eerste speelt hierbij

de rol van zuur tegenover het alcali.

Van het meeste belang is voor den landbouwer de verhouding der kaasstof

tegenover de lebbe.

Wordt de vierde maag van een pas geboren kalf met water uitgetrokken,

en dit vocht bij de melk gevoegd, dan stremt zij binnen korten tijd.

Hoe komt dat? Tot heden moet de wetenschap het antwoord op die vraag

schuldig blijven. De melk stremt bij alcalische, zoowel als bij zure

reactie; van eene zuurvorming hangt dus het stremmen niet af.

Vindt het stremmen zijne oorzaak in een eigenaardig ferment? Men heeft

het beweerd en getracht het uit de lebbe-vloeistof af te zonderen. De

laatste bevat, volgens analyse van den scheikundige DÉSCHAMPS: zoutzuur

in betrekkelijk groote hoeveelheid, boterzuur, capronine-, caprine-

en melkzuur, chloorammonium en chloornatrium, magnesia--niet als

phosphorzure ammoniac-magnesia--, natron, waarschijnlijk met melkzuur

verbonden, sporen van een zwavelzuur zout, phosphorzuren kalk en eene

eigenaardige stof, welke DÉSCHAMPS den naam geeft van chymesine. Deze

laatste zou volgens hem het stremmen der melk veroorzaken. Hij heeft

haar afgezonderd door de lebbe-vloeistof met eene kleine overmaat van

ammonia, die de chymosine nederslaat, te behandelen.

Deze stof is onoplosbaar in zuiver water, wordt in zuurhoudend water

gemakkelijk ontbonden en stremt de melk, hoezeer niet zoo krachtig als

de lebbe-vloeistof zelve. Eene warmte van 60° C maakt haar onwerkzaam.

Anderen schrijven het stremmen der melk toe aan de pepsine. Wat is

pepsine? Ook hier heeft de scheikunde bij lange na haar laatste

woord nog niet gesproken. Zoo veel weet men dat de pepsine eene

stof is, welke voorkomt in de magen der dieren, die met een goed

spijsverteeringswerktuig zijn toegerust.

De scheikundigen hebben onderscheidene methoden aangegeven om de pepsine

af te zonderen. Sommigen nemen de vierde maag der herkaauwende dieren;

zij reinigen die en wasschen haar met koud water uit. Daarna wordt het

slijmvlies afgeschraapt, tot eene breiachtige massa gebragt en

gedurende twaalf uren in overgehaald water geweekt. Na filtreren

præcipiteert men de heldere vloeistof met azijnzuur loodoxyde. Het

præcipitaat bevat de pepsine en men heeft niets anders te doen dan haar

door zwavelwaterstofgas van het loodzout te scheiden, waarna men

nogmaals filtreert en bij 40° C. tot droogwordens toe verdampt.

Anderen behandelen het slijmvlies der varkensmaag bij eene temperatuur

van 38° C. met verdund phosphorzuur en verzadigen de gefiltreerde

vloeistof met kalkwater. De pepsine verbindt zich nu met den

phosphorzuren kalk; deze wordt met verdund zoutzuur behandeld en

eindelijk de heldere vloeistof met eene oplossing van cholesterine in

aether en alcohol vermengd. De pepsine drijft dan met de cholesterine

verbonden op de vloeistof. Men reinigt het præparaat door herhaald

afwasschen en neemt de cholesterine door aether weg. Ook hier is het

verdampen der vloeistof de laatste bewerking.

In het amerikaansch »Journal of Pharmacy" vindt men nog eene andere

bereiding der pepsine; zij is deze: men zondert het slijmvlies van de

goed gezuiverde maag af, raspt het fijn en laat het gedurende eenige

dagen trekken in water dat een weinig chloorwaterstofzuur bevat, en

zorgt dat men de massa dagelijks goed omroert. Wanneer het verkregen

vocht na het filtreren niet helder is, dan laat men het gedurende 24

uren rustig staan, opdat het slijm zal bezinken. Bij het zoo gezuiverde

vocht voegt men de gelijke hoeveelheid eener verzadigde oplossing van

chloorsodium en schudt alles goed dooreen.

Door de bijvoeging van het keukenzout is de pepsine afgescheiden; na

eenige uren rust vindt men haar op de oppervlakte drijvende. Men neemt

de pepsine met een spadel van de vloeistof en laat haar op een stukje

katoen droogen; eindelijk onderwerpt men haar aan eene zware drukking

om de zoutoplossing zooveel mogelijk te verwijderen. Volgens den

schrijver--den heer E. SCHEFFER--kan een deel dezer pepsine, in een

weinig water opgelost, tachtig duizend deelen melk doen stremmen (!).

De beste pepsine in Nederland verkrijgbaar is die, welke, naar de

onderzoekingen van den schrijver dezer handleiding en den heer LEMKES

vervaardigd, door laatstgenoemden heer in den handel gebragt is. Men zie

»Der praktische Arzt, VII Jahrgang N^o. 6", en »Union médicale de la

Seine inférieure, 5^e année N^o. 18". Het groote gewigt der zaak in

aanmerking genomen, zal men het begrijpelijk vinden dat wij nog enkele

reactiën dezer pepsine hier overschrijven, gelijk zij gevonden worden in

het tijdschrift »Les Mondes" van »M. l'abbé MOIGNO". De pepsine van Edam

is eene poedervormige stof; zij is slechts weinig gekleurd, zonder smaak

en bijna zonder reuk. Hare oplossing in water is neutraal; deze stremt

de melk bij 40° C. Zij wordt niet neergeslagen noch veranderd door

salpeterzuur, potassium-ijzercyanuur, noch sublimaat. Het azijnzuur

loodoxyde, vooral het driebasische slaat de pepsine neer. De tannine,

de chloorplatina en het chloorgoud geven een neerslag die de

oorspronkelijke kleur behoudt. Wanneer men het digestievermogen van deze

pepsine vergelijkt met dat der model-pepsine, bereid door de commissie,

welke verslag uitbragt aan de Société de Pharmacie de Paris, dan vindt

men dat zij in een zesde van den tijd eene achtendertig malen grootere

hoeveelheid fibrine kan oplossen, enz.

Ook hier is de vraag opgeworpen: is het stremmend vermogen aan de

pepsine toe te schrijven of geschiedt het coaguleren door eene andere

met de pepsine verbondene stof? Men weet dat de pepsine, in de maag van

mensch en dier voorkomend, het meeste bijdraagt tot de vertering, dat

is: de oplossing der spijzen. Een deel pepsine van Edam (methode HOLLMAN

en LEMKES) kan 250 deelen fibrine oplossen. Verwarmt men de melk, door

pepsine gestremd, gedurende eenigen tijd tot 40 of 45° C., dan lost het

stremsel geregeld op. Is het, vraagt men, dezelfde stof, die de melk

stremt, de kaasstof neerslaat en onoplosbaar maakt en haar later toch

weer tot oplossing brengt? De vraag is opgeworpen, maar het antwoord nog

niet gegeven. Men zou de stoffen moeten scheiden of aantoonen dat dit

onmogelijk is.

En toch is het reeds gedane onderzoek van groote waarde voor den

landbouwer: men kan zich eene stof verschaffen, die altijd dezelfde

hoedanigheden heeft en betrekkelijk zeer rein is.

Het streven van den onderzoeker der natuur moet steeds zijn het verband

te zoeken tusschen de waargenomen feiten; daar, waar dit gevonden is,

spreekt men van eene wet der natuur, die zich altijd in weinige woorden

laat uitdrukken. Zoo lang echter als zulk eene wet niet is opgespoord,

moet men zich met de feiten, ervaringen en waarnemingen, te vrede

stellen; in zulk geval mag men niets verzuimen wat tot opheldering kan

strekken. En wijl nu de zaak, welke ons bezig houdt, nog veel duisters

bevat, zal men het natuurlijk vinden dat wij geene opmerking, welke ter

onzer kennisse kwam, met stilzwijgen voorbijgaan. Wij hebben derhalve

geene verschooning te vragen als wij enkele regels afschrijven, welke

voorkomen in het werk getiteld: ~Beiträge zur Biologie der Pflanzen,

von~ Dr. F. COHN. Hij zegt over het stremmen der melk: heeft de

scheikunde nog niet verklaard op welke wijze de lebbe-vloeistof werkt,

zoo mag men evenwel niet betwijfelen of het stremmen der melk geschiedt

onder den invloed van een inorganisch ferment--chymosine--, in de

lebbe-vloeistof aanwezig; dat stremmen wordt niet door eene levende

fermentplant--zymophiet--te voorschijn geroepen. Men kan het

vergelijken met de werking van andere inorganische fermenten, zooals

diastase, emulsine, enz. Het is toch bekend dat eene lebbe-vloeistof,

door alcohol, in plaats van door water daargesteld, de melk even goed

doet stremmen; dit feit sluit de medewerking van levende organismen uit.

Het vermogen om melk te stremmen bezitten ook sommige plantensappen, die

waarschijnlijk een vloeibaar ferment bevatten; voorts moet men rekening

houden met de waarneming, dat eene bepaalde hoeveelheid der

lebbe-vloeistof eene overeenkomstige hoeveelheid melk stremt, terwijl

organische fermenten zich vermenigvuldigen, en zoo doende eene

onbegrensde hoeveelheid levende kracht kunnen ontwikkelen.

De werking der lebbe is niet oogenblikkelijk; nu eens heeft het stremmen

binnen weinige minuten plaats, dan weder worden er uren tijd voor dit

proces geëischt. De temperatuur oefent hier den grootsten invloed uit en

boven 50° C. houdt het stremmen geheel op.

De kaasstof door de lebbe afgescheiden is vaster en digter dan die

door zuren gepraecipiteerd; de eerste is ook weinig of niet oplosbaar

in koolzure alcalien, de laatste wel. De caseine door lebbe verkregen

bevat de phosphorzure zouten, welke bij aanwending van zuren in de wei

gedeeltelijk opgelost blijven.

De kaasstof door lebbe afgezonderd heeft als deze de eigenschap dat

zij versche melk stremt, echter niet in dien graad dat men zulke

kaasstof, even als het zuurdeeg bij het broodbakken, met voordeel bij

de kaasbereiding kan gebruiken. Gaat men na welke geringe hoeveelheid

pepsine of chymosine men noodig heeft om de melk te doen stremmen,

dan ligt het besluit voor de hand dat de kaasstof door aanhangend

lebbevocht de melk stremt; met gezuiverde kaasstof hebben wij het

verschijnsel niet te voorschijn kunnen roepen.

In de planten-wereld vindt men ook enkele stoffen welke de melk

stremmen; als zoodanig noemen wij de bloemen van de Artisjokke--Cynara

scolimus L--en het sap van den vijgenboom--Ficus carica L--, bij de

ouden reeds tot dit doel gebezigd.

Het stremmen wordt door koude tegengegaan; van daar koelt de boer, die

boter maakt, zijne melk zoo omzigtig af: nu hebben de boterkogeltjes

langer gelegenheid op te schieten, wat door het stremmen verhinderd

wordt.

Ook door koolzure en dubbel koolzure soda vertraagt men het stremmen.

Deze soda-zouten worden als boterpoeder in den handel gebragt.

De koemelk bevat gemiddeld 4 tot 5 proc. caseine en 1/2 tot 1 ten

honderd albumine. Verwarmt men de wei, nadat de kaasstof is verwijderd,

met wat melkzuur tot ongeveer 75° C., dan scheidt zich eene vlokkige

zelfstandigheid af, welke wit van kleur is als de kaasstof, geene

elasticiteit bezit, slechts losjes zamenhangt en, zelfs na zwaar persen,

gemakkelijk gekruimeld wordt. In Zwitserland noemt men deze stof

~Ziger~; men maakt er daar eene soort van kaas van. Zij wordt of versch

verkocht of gezouten en gerookt en bij aardappelen gegeten.

Ook de pisstof--het ureum--schijnt een normaal bestanddeel der melk

uit te maken. QUEVENNE vond haar in de ezelinnenmelk, LE FORT in de

koemelk--1-1/2 gram van het salpeterzure zout op 10 liters melk--.

Bovendien bevindt zich, hoezeer in geringe hoeveelheid, in de melk eene

stof, welke waarschijnlijk later, bij de verklaring der physiologische

processen der melkafscheiding, eene gewigtige rol zal spelen. Wij

bedoelen de lecithine, welke reeds vroeger in de hersenzelfstandigheid

gevonden werd. Toen noemde men deze stof phosphorhoudend vet, later

protagon. Wij gaan de bereiding der lecithine stilzwijgend voorbij; voor

ons onderwerp heeft zij, op het tegenwoordig standpunt der wetenschap,

slechts weinig waarde.

Alleen willen wij aanstippen dat de lecithine eene zeer zamengestelde

verbinding is; deze opmerking kan ons misschien later bij de

kaasbereiding te pas komen. Zij bevat de bestanddeelen der vetsoorten,

die in het dierlijk ligchaam voorkomen, en men heeft zelfs verschillende

soorten van lecithine, welke bij hare ontleding de verschillende zuren

der vetsoorten opleveren.

Eene lecithine, welke olie- of palmitinezuur bevat, komt in

zamenstelling overeen met de formule C_{42}H_{84}NPO_{9}, en wordt,

terwijl zij water opneemt, naar het volgende schema ontleed:

C_{42}H_{84}NPO_{9} + 3 H_{2}O = C_{3}H_{9}PO_{6} + C_{5}H_{15}NO_{2} +

lecithine. water. glycerine choline of

phosphorzuur. neurine.

+ C_{18}H_{34}O_{2} + C_{16}H_{32}O_{2}.

oliezuur. palmitinezuur.

Naarmate in de lecithine het palmitinezuur geheel of ten deele door

stearinezuur of een ander dezer homologe zuren is verdrongen, zal het

gehalte der lecithine aan kool- of waterstof hooger of lager zijn.

Hierdoor wordt verklaard waarom er zoo weinig overeenstemming is

tusschen de analysen door meerdere scheikundigen met stoffen van

verschillenden oorsprong gemaakt.

In de melk is eene eigenaardige, zoete stof, de melksuiker, voorhanden.

Gewone koemelk bevat van drie tot zes procent melksuiker; zij is met de

kaasstof en de albumine in de wei der melk opgelost. Om haar uit de melk

af te scheiden behoeft men de wei slechts te verdampen tot zich de

kristallen van melksuiker vormen. Door herhaald oplossen en

omkristalliseren erlangt men haar zuiver.

De chemische formule der melksuiker was vroeger C_{12}H_{10}O_{10} +

2 HO of C_{12}H_{12}O_{12} thans C_{6}H_{12}O_{6}. Onder gunstige

omstandigheden kan zij de wijngisting ondergaan. Bij aanwezigheid van

kaasstof wordt de melksuiker in melkzuur omgezet. Een aequivalent suiker

geeft hierbij twee aequivalenten zuur:

C_{12}H_{10}O_{10} + 2 HO = 2 C_{6}H_{6}O_{6} of

C_{6}H_{12}O_{6} = 2 (C_{3}H_{6}O_{3}).

Het schijnt dat de kaasstof hier als ferment werkt. Volgens PASTEUR

echter zou het melkzuur-ferment groote overeenkomst hebben met de

mycoderma aceti, de doorsneden der enkele leden van het schimmelplantje

zouden volgens hem 1/600 m.m. bedragen. Het verschil tusschen mycoderma

vini en het melkzuur-ferment--oidium lactis--zou volgens PASTEUR gelegen

zijn in den vorm en de eigenaardig wiemelende beweging van het laatste.

Ook de lebbe-vloeistof, welke volgens de gistings-theorie aan de in haar

aanwezige schimmel-kiemen hare werkzaamheid ontleent, kan de melksuiker

in melkzuur omzetten.

Brengt men penicillium in gekookte melk, dan ziet men haar, zelfs

wanneer alle lucht wordt afgesloten, binnen 24 uren stremmen en zuur

worden, terwijl dezelfde melk, zonder de schimmelplant, na vele maanden

nog versch is en geen spoor van zure reactie toont--het conserveren der

melk--. De werking van het opkoken der melk om haar langer te bewaren

vindt hier hare verklaring: door de kookhitte doodt men de

schimmelplant.

De zuurvorming wordt door alcalien bevorderd, door zuren en het bereids

gevormde melkzuur tegengehouden.

Behalve melkzuur vormt zich in de melk uit de melksuiker ook boterzuur;

dit geschiedt zelden anders dan in zure melk, welke reeds oud is, of in

melk van zieke koeijen. Ook dit zuur ontstaat door de werking van het

schimmelplantje--het penicillium--. Men herkent het zuur aan zijnen

walgelijken reuk; het is in elke verhouding oplosbaar in water en gaat

met de alcalien en alcalische aarden oplosbare verbindingen aan.

Ten slotte moeten wij hier nog een moment in herinnering brengen, dat

het plotseling zuur worden en het stremmen der melk bewerken kan; het

zijn de electrische spanningen der lucht, of waarschijnlijker het door

de laatsten ontwikkelde ozon, dat een der krachtigst oxyderende stoffen

is.

Van de extractiefstoffen der melk, die de kleur en den geur geven aan

boter en kaas, is weinig bekend. Later, wanneer wij spreken over het

blaauw-worden der kaas, komen wij hierop terug.

Wij zijn genaderd tot de anorganische zelfstandigheden, welke in de melk

gevonden worden; zij maken een slechts gering gedeelte van de vaste

bestanddeelen uit, maar zijn toch van groot gewigt voor de ontwikkeling

en den groei van het jonge dier.

De hoeveelheid der zouten hangt af van het voedsel, dat de koe neemt en

den korteren of langeren tijd na het kalven verstreken. Waar de gegevens

zoo uiteen loopen, is het voor ons doel genoegzaam, wanneer wij eene

enkele analyse mededeelen; uit deze toch ziet men terstond welke zouten

in de koemelk bevat zijn. PFAFF en SCHWARTZ vonden in 100 deelen melk

0,3742 deelen zouten, bestaande uit:

phosphorzuren kalk 0,1805,

phosphorzure magnesia 0,0170,

phosphorzuur ijzeroxyde 0,0032,

phosphorzure natron 0,0225,

choorkalium 0,1350,

natron, vroeger met melksuiker verbonden 0,0115.

De zouten der aarden zijn innig, men kan zeggen chemisch met de kaasstof

verbonden; van daar vindt men in deze de grootste hoeveelheid der

anorganische stoffen. Den koolzuren kalk treft men in de asch der kaas

aan, evenzoo de natron, welke, zoo als wij boven zagen, de caseine in

oplossing houdt.

In de melk bestaan tusschen phosphorzuur en de albuminaten dergelijke

verhoudingen als MAIJER voor phosphorzuur en eiwit bij de granen heeft

aangewezen. Uit 21 reeksen van waarnemingen vond STOHMANN dat in de

geitenmelk op elk gewigtsdeel phosphorzuur zeer nabij twee gewigtsdeelen

stikstof komen, even als bij de tarwe.

De gassoorten, welke in de melk gevonden worden, zijn koolzuur, zuurstof

en stikstof, de laatste geheel of ten deele afkomstig uit den dampkring.

Meestal vindt men ongeveer 3 volume-proc. gas in de melk; de gemiddelde

zamenstelling is:

koolzuur 55,15 volume-proc.

stikstof 40,56 » »

zuurstof 4,29 » »

Ten slotte een woord over de parasieten der melk. Boven bij de

behandeling der lebbe en van het melkzuur maakten wij reeds gewag van

gist- en schimmelplanten, die in de melk voorkomen. Zij behooren tot de

vormen, welke door de mycologen met de namen Oidium lactis Fres: en

Mucor racemosus Fres: bestempeld worden. In den laatsten tijd heeft men

een derde, het Dictyostelium mucorides Bref: gevonden. Behalve deze,

welke tot het plantenrijk gerekend worden, bemerkt men nu en dan andere

tot het dierenrijk behoorende organismen, zooals de monaden en

vibrionen.

De scheikundige zamenstelling der melk, in het bijzonder haar hoog

stikstofgehalte, maakt haar tot een vruchtbaren bodem voor een aantal

schimmels, waarvan de kiemen in den dampkring zweven. Deze schimmels

spelen eene gewigtige rol in het huishouden der natuur; daar, waar zij

zich ontwikkelen, heeft eene voortdurende omzetting van stoffen plaats.

Ook op melk en kaas oefenen zij vaak een nadeeligen invloed uit. Men

heeft de sporen--kiemen--dezer schimmels tot in den uijer der koe

gevonden; het is niet waarschijnlijk dat zij zich daar ontwikkeld hebben

of uit het bloed afgescheiden zijn. Meer grond heeft men om aan te nemen

dat de kiemen door de spenen in de melkgangen geraakten. Van daar ook

zal een verstandige boer den eersten straal melk aan de aarde offeren.

FUCHS heeft twee infusiediertjes in de melk gevonden; het eene was eene

kleine monade, welke het eerst en het meest op de melk ontstaat; het

andere eene grootere polygastrische monade. Ook HALLIER zag op zure melk

niet zeldzaam de vibrio lineola.

De biest--colostrum--verschilt aanmerkelijk van de gewone melk. Na de

geboorte van het jong tot in de tweede week vindt men in de melk,

behalve vetdroppels, gevormde elementen, deels geheel onveranderde

cellen van het klierweefsel met hare celkern, deels cellen, welker

inhoud in vet overgaat; men treft ook cellen aan, die geheel met

vetdroppels gevuld zijn; andere, bij welke niet alleen de inhoud in

vet is overgegaan, maar van welke de vliezen--membranen--reeds geheel

of ten deele zijn geabsorbeerd; eindelijk celconglomeraten, die

afstammen van het epithelium der melkkanalen in den uijer. Deze

conglomeraten--colostrum-ligchaampjes--komen in gezonden toestand in de

latere perioden der melkafscheiding niet meer voor.

De biest der koeijen bevat volgens CRUSIUS tot 38 proc. vaste

bestanddeelen; zij is arm aan melksuiker--van 0 tot 2 proc.,--maar houdt

soms 13 proc. albumine.

Vergelijkt men de zamenstelling der melk bij onderscheidene diersoorten,

dan vindt men, zooals van zelf spreekt, nog al eenig verschil. Die der

vleeschetende dieren heeft bij het verlaten des uijers eene zwak zure

reactie; bij andere dieren is zij nu eens neutraal, reageert dan weder

alcalisch of zwak zuur.

Het soortelijk gewigt der melk ligt bij verschillende dieren tusschen

1,008 en 1,045; goede koemelk heeft een specifiek gewigt van 1,031 tot

1,033.

De melk der vleeschetende dieren is veel meer geconcentreerd dan die der

grasetende; zij is rijker aan albuminaten. De melk dezer dieren bevat

behalve de kaas immer aanzienlijke hoeveelheden gewoon eiwit--albumen--.

Bij de grasetende dieren komt deze stof slechts in geringe hoeveelheden

voor.

De melk van paarden en ezels is zeer waterhoudend; de schapenmelk bevat

veel vet. Bij dezelfde diersoort speelt de individualiteit eene

gewigtige rol.

Onmogelijk is het iets bepaalds op te geven over de verhouding der

bestanddeelen in de melk der verschillende dieren. Van alle melksoorten

is zeker geene zoo dikwerf onderzocht als die der koeijen, en toch

vinden wij dat elk onderzoeker uit lange reeksen van waarnemingen

een ander gemiddeld getal verkrijgt dan zijn medearbeider: er kan

geen sprake zijn van eene bepaalde zamenstelling der melk; alles

hangt af van individueel verschil. Die invloed der individualiteit

komt het duidelijkst uit, wanneer men een aantal analysen van melk der

verschillende diersoorten in rijen ordent, naar een harer bestanddeelen,

het vet bijvoorb.; men zal dan dezelfde diersoort op de verschillendste

punten der rijen vinden:

---------+------+------+------+------+-------+-------------------------

| | A | M | | |

| | L | E | | |

D | | B | L | Z | W | =NAAM=

I | V | U | K | O | A |

E | E | M | S | U | T |

R | T | I | U | T | E | VAN DEN

S | T | N | I | E | R |

O | E | A | K | N | . |

O | N | T | E | . | | ONDERZOEKER.

R | . | E | R | | |

T | | N | . | | |

. | | . | | | |

| | | | | |

---------+------+------+------+------+-------+-------------------------

Paard. | 0,65 | 1,69 | 4,72 | 0,29 | 92,49 | Moser.

Zwijn. | 1,03 | 7,36 | 2,26 | 1,18 | 88,17 | Scheven.

Ezel. | 1,21 | 1,67 | 6,23 | 90,70 | Simon.

Vrouw. | 2,07 | 1,43 | 7,52 | 89,00 | Bouchardat en Quevenne.

Koe. | 2,17 | 2,68 | 4,30 | 0,83 | 89,97 | Struckmann.

Geit. | 2,24 | 4,46 | 5,09 | 0,96 | 87,20 | Stohmann.

Schaap. | 2,36 | 4,83 | 5,41 | 0,89 | 87,02 | Grouven.

Koe. | 2,42 | 2,67 | 4,51 | 0,87 | 88,66 | G. Kühn.

Zwijn. | 2,82 | 5,68 | 1,59 | 0,87 | 89,26 | Von Göhren.

Kameel. | 2,90 | 3,67 | 5,78 | 0,66 | 86,94 | Dragendorf.

Geit. | 3,11 | 3,63 | 4,65 | 0,83 | 87,79 | Stohmann.

Lama. | 3,15 | 3,90 | 5,60 | 0,80 | 86,55 | Doyère.

Kat. | 3,33 | 9,55 | 4,91 | 0,58 | 81,63 | Comaille.

Koe. | 3,86 | 3,28 | 4,89 | 0,77 | 87,20 | Völcker.

Koe. | 4,07 | 3,55 | 4,65 | 0,79 | 86,94 | Lehmann.

Geit. | 4,11 | 3,44 | 4,84 | 0,86 | 86,75 | Stohmann.

Vrouw. | 4,30 | 3,53 | 4,11 | 0,21 | 87,98 | Clemm.

Hond. | 4,38 | 6,93 | 3,85 | 0,45 | 84,39 | Ssubotin.

Schaap. | 4,45 | 5,76 | 5,73 | 0,96 | 83,10 | Völcker.

Zwijn. | 6,88 | 6,89 | 2,01 | 1,29 | 82,93 | Linntner.

Koe. | 7,09 | 2,59 | 4,59 | 0,56 | 85,20 | Bernois en Becquerel.

Geit. | 7,14 | 3,91 | 4,81 | 0,94 | 83,20 | Stohmann.

Schaap. | 7,50 | 5,70 | 4,30 | 0,90 | 81,60 | Doyère.

Vrouw. | 7,60 | 1,25 | 7,31 | 0,15 | 83,69 | Doyère.

Hond. |12,00 | 7,25 | 2,53 | 0,43 | 77,69 | Ssubotin.

---------+------+------+------+------+-------+-------------------------

Het in acht nemen dezer verhoudingen is in vele opzigten van groot

gewigt. Bij verkoop van melk moet de hoeveelheid groot zijn; bij kaas en

boter maken komt het op caseine en vet aan. Behalve deze technische

vragen komen ook nog de hygienische in aanmerking, belangrijk vooral bij

de voeding van kinderen; maar dit behoort hier niet te huis.

Het voedsel der dieren oefent voorts eenigen invloed uit op de

zamenstelling der melk. Bij vele individuen verandert ook nog het

vetgehalte met den duur der lactatieperiode: oud-melkte koeijen geven

in den regel vet-rijker melk dan nieuw-melkte, maar ook hier zijn vele

uitzonderingen.

De melk, die het eerst uit den uijer genomen wordt, is vet-armer dan

die, welke later volgt, omdat de roomvorming reeds in de borstklier

begint; van daar het voorschrift om de koe toch goed uit te melken.

De hoeveelheid melk staat, onder overigens gelijke omstandigheden, in

regte reden tot de hoeveelheid eiwit in het voedsel aanwezig.

Schadelijke Gewassen.

Handboek voor den kaasmaker in Nederland · 第 2 / 16 段