(In Holland).
Voor taugé gebruike men chicoreilof, die men half
gaar kookt met een weinigje
suiker, en dan op een zeef
laat uitlekken
,, tjeremée ,, ,, onrijpe kruisbessen
,, asemwater ,, ,, citroensap
,, daon salam ,, ,, laurierbladeren
,, rijstmeel (om ,, ,, Colman's meel of korenmeel
kwee-kwee's te maken)
,, daon kemangie ,, ,, jonge selderie blaadjes
,, koetjaï ,, ,, jonge prij
,, bawang poetih ,, ,, knoflook
,, mieso ,, ,, fijne vermicelli
,, laksa ,, ,, grovere soort idem
,, mie ,, ,, dunne macaroni
,, agar agar (1 stang) ,, ,, gelatine (24 à 25 blaadjes)
,, sesawie ,, ,, jonge andijvie
,, klappermelk (santen) ,, ,, melk met wat zout
,, ketoembar-djienten ,, ,, koriander en komijn
,, kemiries (1 noot) ,, ,, olienootjes of de z.g.
curaçaosche amandelen (katjang), vijf à
zes katjangpitjes.
Wordt in een recept het aantal uien opgegeven, dan houde men er
rekening mede, dat de hollandsche uien grooter zijn; één hollandsche
staat gelijk met vijf à zes indische uitjes of "bawang mérah."
De "bietings", waarvan in enkele recepten sprake is (No. 19, 179 en
de bebòtòk-soorten), worden door kleine aangepunte houten pinnetjes,
ter grootte en lengte van onze lucifers, vervangen.