Tien eiwitten, de geraspte schil van 1 djeroek-nipis, 1 flesch melk,
suiker naar smaak, 1 theelepel kaneel, 1 stokje vanille.
Voor de saus: 5 eierdooiers, een hand vol gestampte amandelen, suiker
en sultana rozijnen.
Bereiding:
Het eiwit wordt, met de geraspte djeroekschil, tot sneeuw geklopt. De
melk wordt dan, met wat suiker, vanille en kaneel, gekookt. Als de
melk goed kookt, doet men er de sneeuw even in (met de schuimspaan),
haalt ze er weêr uit en doet ze op een gebakschotel.
Nu maakt men van de melk, eierdooiers en suiker een vanillesaus, stort
die saus om de sneeuw heen en rangeert op de saus de fijngestampte
amandelen en rozijnen.