Tien geweekte blaadjes gelatine, 4 eierdooiers, 1 1/2 ons suiker,
1/4 ons bloem, 3 à 4 kopjes water, evenveel rijn- of bessenwijn,
naar smaak citroenzuur, citroenolie of het sap van djeroek-nipis,
het tot sneeuw geklopte wit der 4 eieren.
Bereiding:
De dooiers klopt men wit met de suiker; hierna voegt men er de
bloem door, daarna den wijn met de tien in water geweekte blaadjes
gelatine en het water. Deze massa wordt, onder aanhoudend roeren,
gekookt. Als ze dik begint te worden, roert men er, naar smaak, het
citroenzuur of een der andere surrogaten door, met het tot sneeuw
geklopte eiwit. Men stort nu alles in een nat gemaakten puddingvorm,
laat het bekoelen en stort het dan over in een schotel.