Een taartkorst met opstaanden rand (No. 814), 2 ons amandelen, 2
lepels orgeade, 3 lepels suiker, 1 theelepel kaneel, 1/2 theelepel
kruidnagelgruis, vla van 1/2 flesch melk, een stukje pijpkaneel,
10 geklopte eierdooiers, 1 bierglas orgeade, 1 lepel boter en suiker
naar smaak. Gelei.
Bereiding:
De rand der taart moet vier vingersbreed hoog zijn. Deze taartkorst
bakt men, in den oven, licht bruin. Nu maakt men van de amandelen,
die fijngestampt worden, de orgeade, suiker, kaneel en kruidnagel
een deeg, dat men goed door elkander kneedt, op de plank uitrolt en
er vervolgens een rand van maakt, die tegen den binnenrand van de
taartkorst wordt aangebracht, even hoog en 1/2 à 1 vinger of meer dik,
zoo dik als men van het deeg maken kan.
Vervolgens bedekt men den taartbodem, een à anderhalf vinger hoog,
met gelei en hierop vla. Deze vla maakt men evenals de vanillevla
(No. 917), maar uit bovengenoemde bestanddeelen.
Daarna wordt de taart nog even in den matig verwarmden oven
gebakken. Zij mag van boven niet bruin worden.