Een half pond witte en 1 1/2 ons bruin geroosterde amandelen, 6
eiwitten, 1/2 pond witte suiker (voor de witte amandelen) en 1 1/2
ons witte suiker (voor de bruine amandelen), 9 eierdooiers, waarvan 6
voor de witte en 3 voor de bruine amandelen, 4 lepels aardappelmeel,
6 eiwitten, 1/2 ons gestampt geroosterd brood, een groot glas wijn,
boter, oranje-, rood- en wit suikerglazuur.
Bereiding:
De witte amandelen worden met de witte suiker fijngestampt en met
drie eiwitten fijngewreven; de bruine amandelen worden eveneens met de
suiker en drie eiwitten op dezelfde manier bewerkt. Door de witte massa
roert men zes, door de bruine drie eierdooiers, goed schuimend. Nu
roert men in de witte massa het aardappelmeel en het geklopte wit van
de zes eieren. Dit beslag wordt vervolgens in twee helften verdeeld,
waarvan de eene wit blijft en de andere helft oranje wordt gekleurd
(Zie goede kleuren No. 718).
Door de bruine massa roert men drie tot sneeuw geklopte eiwitten,
in oranjebloesemwater gedrenkte broodkruim en rood carmijnkleursel.
Men bakt nu deze massa in een hoogen taartenvorm (springvorm) in de
volgende lagen: de onderste rood, de middenlaag wit, de bovenste laag
oranje. De vorm wordt in een matig verwarmden oven geplaatst.
Is de taart goed gaar, dan laat men haar bekoelen en glaceert ze,
bovenop, met oranjeglazuur, waarop men, als dit droog is, met wit
spuitglazuur de letter W, met een kroon daarboven, stelt.