Een half pond bloem, 1/2 pond boter. Twee ananassen, 1/2 glas roode
wijn, 1/2 glas madéra, suiker naar smaak, een paar kruidnagels,
1/2 pijpje kaneel, 12 bitterkoekjes of 12 biscuits, 1 glaasje crême
de vanille, 1 lepel maraschino of andere likeur, een groote lepel
cognac, 4 eiwitten tot sneeuw geslagen, opengesneden rozijnen zonder
pit, boter.
Bereiding:
Van beide eerstgenoemde ingrediënten maakt men taartendeeg (No. 703),
waarvan men een rondte met opstaanden rand maakt evenals bij
No. 814. De ananassen worden schoongemaakt, het hart weg gedaan
en het vleesch der vruchten in zeer kleine stukjes gesneden. Deze
stukjes worden met den wijn, de madéra, suiker, kruidnagels en de
kaneel opgekookt tot alles gelei-achtig is, waarna men dit afzet en
koud laat worden.
De taartenkorst heeft men intusschen licht bruin gebakken, waarna
men bovengenoemde koude massa er in overstort.
Nu worden de bitterkoekjes fijngestampt, met de crême de vanille,
den cognac en de maraschino overgoten en samen omgeroerd. Dit mengsel
doet men op de ananas-gelei, en zet men verder de taart weer in den
oven te bakken. Is de taart wat droog geworden, dan haalt men haar
uit den oven en bestrijkt het bovenoppervlak met het geslagen eiwit,
dat men met djeroeksap en wat suiker heeft geklopt. De sneeuw versiert
men eindelijk met kruisgewijze geplaatste rozijnen, waarna de taart
ten slotte nog even, in den oven, licht geel wordt gebakken.