(Duitsch).
Een en 1/4 pond tarwebloem, 1/2 pond boter, 1 1/4 ons suiker, 1/2 ons
gestampte amandelen, 1/2 pond sultana-rozijnen, 1 1/4 ons krenten,
2 eieren, een paar lepels legèn, rhum, melk, notemuskaat, 1/2 flesch
melk, 1/2 ons vruchtensuiker (zie No. 714), 1 theelepel kardemom, zout.
Bereiding:
Men maakt een beslag van de bloem, de boter, de suiker, de
vruchtensuiker, de amandelen, rozijnen, krenten, een weinigje zout,
een halve geraspte notemuskaat, een half kopje rhum, de legèn en de
eieren; (naar verkiezing, de kardemom er nog bij). Dit beslag laat
men gedurende een kwartier rijzen
Daarna rolt men het deeg uit en maakt er een rond geheel van, dat men
dubbel slaat. Men bestrijkt dit deeg met geslagen geel van ei, dat met
wat suiker en water is aangelengd. Bak dit deeg op een gebaksplaat,
in den niet te heeten oven (± een uur) gaar. Als de stollen klaar
zijn bestrijkt men ze met gesmolten boter en strooit er suiker over.