(Of Sint-Nicolaas gebak).
Negen ons bloem, 7 ons bruine suiker, 6 1/2 ons boter, potasch
ter grootte van een duivenei (ammonium bicarbonum), 1 theelepel
kruidnagelgruis, een dito fijne notemuskaat, 1/2 theelepel fijne
kaneel, 1/2 theelepel citroenolie, 1/2 theelepel zout, boter.
Bereiding:
Boter met de suiker en de potasch vermengen. Dan het meel hierdoorheen
kneden. Is dit goed gekneed, doet men er de citroenolie met de
specerijen door. Dit deeg wordt eenige keeren op de plank uitgerold
en weêr samengevouwen; daarna wordt het, voor 't laatst, uitgerold
ter halve vingerdikte en snijdt men er figuren van, of men gebruikt
de Sint-Nicolaas-plank, waarin figuren zijn uitgehold.
Tegenwoordig heeft men bij de bakkers Sint-Nicolaas gebak-rolmachines,
waarmede men duizende koekjes (figuren) in 't uur rolt. (Voor de plank,
zie aanhangsel).
Deze figuren worden op een met boter bestreken plaat gedaan en met
onder en boven vuur gebakken, tot ze gaar en hard zijn.