Een pond boter, 1 pond fijne broodsuiker, 1 pond meel, eenig
gewasschen en weêr gedroogd anijszaad, 3 of 4 eieren, een weinig zout,
eiwitglazuur (No. 711).
Bereiding:
Men maakt van de bovengenoemde ingrediënten een beslag, dat men
uitrolt; daarna steekt men er, met een bierglas, ronde broodjes
of koekjes uit, die men op een met boter bestreken plaat, boven
een matig vuur, gaar bakt. Als ze gaar zijn, neemt men ze nog warm
van de plaat. Als ze koud zijn geworden, glaceert men de broodjes
met een sterk eiwitglazuur, waardoor men nog twee eierdooiers heeft
geklopt. Om het glazuur te laten opdrogen, zet men deze broodjes nog
een oogenblikje in den oven.