Vier ons zoete en 1 ons bittere amandelen, 2 pond witte suiker,
15 eiwitten en schrijnspapier.
Bereiding:
De amandelen worden zéér fijn gestampt, daarna met de suiker en de
tot schuim geslagen eiwitten goed dooreengemengd.
Men moet dit zoo stevig dooreen roeren, dat men er koekjes van kan
vormen, door, met een lepel, op schrijnspapier kleine hoopjes te
gieten, welke dan, in een heeten oven, lichtbruin worden gebakken.
N.B. Heeft men een gebakspuit, dan wordt deze gebruikt en spuit men
de hoopjes op het schrijnspapier. Men neemt de koekjes, als zij gaar
zijn, nog warm van het papier af.
Over de gebakspuit zie men het laatste gedeelte van het aanhangsel.