Acht eiwitten, geklopt, 4 ons witte suiker, de schil van één
djeroek-nipis geraspt, 1 lepel oranjebloesemwater, fijne witte
broodsuiker, schrijnspapier, (Zie aanhangsel). Roomvla.
Bereiding:
De eiwitten slaat men tot sneeuw, waarna men vier ons suiker, die
vooraf vermengd is met de geraspte schil en het oranjebloesemwater,
door de sneeuw klopt. Is dit mengsel niet stijf genoeg, dan doet men
er één druppel azijn-essence op en klopt het dan weêr goed op. Nu
neemt men schrijnspapier en doet er, met een lepel, hoopjes van het
schuim op. Men bakt dit, in een matig verwarmden oven, lichtgeel en
doet er fijne broodsuiker op. Dit gebak moet meer drogen dan bakken.
Zijn deze gebakjes gereed, dan neemt men ze voorzichtig, met een mes,
van het papier af, holt ze van onderen uit, doet er roomvla in en plakt
er dan twee tegen elkander aan. Bij gebrek aan schrijnspapier neemt
men een vel wit postpapier, dat vooraf goed met boter is bestreken.