(Kolang-kaling).
Boewah-atap, rijstwater, suiker tot stroop gekookt.
Bereiding:
De vruchten weekt men, gedurende een nacht, in rijstwater, haalt ze
er uit en wascht ze in koud water af.
Hierna kookt en klaart men de suiker tot stroop en zeeft ze. Daarna
worden de vruchten in de stroop gedaan en laat men ze twee nachten
er in staan.
Den volgenden dag giet men er de stroop af en kookt hierbij nog wat
suiker op, doet de vruchten er weder in en, als dit is afgekoeld,
doet men het in stopflesschen.
676-685. Op dezelfde wijze maakt men manisan van djahé, djeroek
kiemkip, pepaja, mangga, zuurzak, nangka, tjerimée, tjempeda,
manggistan en roekem.