Drie kopjes rijstmeel, dunne santen van 2 à 3 klappers, fijngesneden
javaansche suiker, dikke santen van een klapper, 1 à 2 theelepels
rijstmeel, vierkante bakjes van pisang-bladeren, "pientjo" genaamd.
Bereiding:
De kopjes rijstmeel vermengt men met de dunne santen, (ongeveer tien
à twaalf kopjes santen). Dit wordt goed gaar gekookt. Na het koken
moet dit beslag dun zijn. De pientjo's warmt men even boven den
wasem in een koekoesan, daarna neemt men ze er uit en doet er een
laagje fijngesneden javaansche suiker in en hierop een paar lepels
van bovenbeschreven beslag. Vervolgens kookt men de dikke santen met
het paar lepeltjes rijstmeel tot een dikke saus en doet hiervan een
à twee lepels op het beslag in de pientjo's.