Vier kopjes rijstmeel, 3 lepels legèn of evenveel gezeefde tapé-bras
(gist), 1/2 bierglas water, een kopje vol jong klapperwater, 1
theelepel zout, 2 kopjes dik gekookte santen, 2 kopjes vol witte-
of goela-djawa-stroop en kleine kopjes, waarin de gebakjes gestoomd
werden.
Bereiding:
Van het rijstmeel maakt men met de legèn, het water, het jonge
klapperwater en 't zout een beslag, dat men gedurende tien minuten goed
dooreen mengt; daarna roert men er langzaam, de santen en de stroop
door. Dit schept men vervolgens, nadat het beslag goed gerezen is,
in de kopjes over, die men in een toegedekte pan met heet water zet
en daarin verder gaar laat worden. Bij het voordienen worden deze
gebakjes uit de kopjes gestort en met geraspten klapper bestrooid.