Een pond ketan, een weinig sirih-kalk, 5 kopjes santen, 1/2 geraspte
gebrande klapper, 1/2 pond javaansche suiker, water.
Bereiding:
De ketan moet men wit stampen, daarna wasschen met een weinig
sirih-kalk in het water. Hierna wascht men de ketan nog eens over en
doet ze op een zeef. Laat ze in den wind droog worden.
Nu braadt men de ketan droog op in een wadjan, stampt ze fijn en
zeeft ze.
Daarna kookt men de javaansche suiker met de santen op en doet daar
den halven geraspten gebranden klapper bij.
Het gezeefde ketanmeel wordt met wat water dik en gaar gekookt, waarna
men, al roerende, de suikerstroop met klapper er bij voegt. Als dit
dik is, stort men het op een houten bord of steenen schaal over,
terwijl men het laat bekoelen. Daarna snijdt men het aan reepen.