594. KWÉE LÊMPÉR OF LAMPAR.

Een pond ketan, santen van 2 klappers; het vulsel: een vette kip,

1 geraspte klapper, 20 fijngesneden uitjes, 4 sioongs fijngesneden

bawang-poetih, 4 à 5 schijfjes laos, 4 uitgehaalde kemiries, 1

theelepel djienten, 1 1/2 theelepel ketoembar, 1/2 theelepel peper, 1

theelepel zout, een klein stukje trassie, 4 djeroek-poeroet-bladeren,

1 kopje santen kentel, 1/2 kopje bouillon (van de kip), boter of

versche klapperolie, pisangbladeren, bietings.

Bereiding:

De ketan wordt met de santen gaar gekookt.

De kip wordt gaar gekookt in water met zout, het vleesch daarna er

af gescheurd. Al de bovenvermelde kruiden stampt men fijn, bakt ze

met de reepjes kip in boter (of olie) op, doet er den bouillon en de

santen kentel bij en laat dit alles samen koken, tot het een dikke brij

wordt. Als het bijna droog is, gebruikt men dit voor vulsel van de gaar

gekookte ketan, die men in langwerpige stukjes gevormd heeft, welke

na vulling dicht gerold en in pisang-bladeren gewikkeld worden. Sluit

de pakjes met de bietings en rooster ze daarna, tot ze gaar zijn.

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 639 / 1109 题