Een half pond bloem, 1/2 pond boter, 20 eieren, het wit apart geklutst,
een of ander soort gelei.
Bereiding:
De eierdooiers klopt men met de suiker, tot het wit wordt; de boter
smelt men en roert dit langzaam, met het meel, door de geklutste
eieren. Daarna voegt men er het tot schuim geklopte eiwit bij. Men
bakt hiervan drie dikke lagen, in een springvorm.
Wanneer de lagen, een voor een, gaar zijn--men bakt elke laag
afzonderlijk gaar--dan doet men er gelei tusschen en plaatst de lagen
op elkander. De koek wordt van buiten, in de rondte, geglaceerd en
van bovenop met ingelegde vruchten of suikerwerk versierd.