(Chineesch.)
Een pond tarwebloem, 3/4 pond fijne broodsuiker, 1/2 pond boter,
10 eieren, waarvan vijf met het wit, 2 lepels rozenwater, 2 lepels
cognac (of brandewijn), 2 kopjes vol fijngesneden tangkwé, 1 kopje
vol manisan djeroek-kiemkit, 1 kopje vol manisan djeroek-manis, 2
kopjes vol fijngesneden kanaries of amandelen, 1 kopje vol gepelde
klèngkèng, 1 lepel fijngesneden foelie. 1 theelepel kruidnagelgruis
en 1/2 geraspte notemuskaat, zout.
Bereiding:
De boter klopt men wit met de suiker; daarna doet men het meel hier
langzaam bij en vervolgens, óók langzaam-aan, de opgegeven tien
eieren. Voeg daarna de cognac en het rozenwater met de specerijen en
de fijngehakte manisans en amandelen hierbij. Roer dit alles tot een
kneedbaar deeg, dat men in een met boter besmeerden vorm stort. Laat
dit beslag eenigen tijd rijzen en bak het, als tulband, in een matig
warmen oven.
Om zich, bij dergelijke gebaksoorten te overtuigen, dat de koek van
binnen gaar is, prikt men er met een lidi of een breinaald in. Kleeft
er meel aan de naald, dan is de koek nog niet gaar.