582. KWÉE KIEK.

(Chineesch.)

Een pond tarwebloem, 3/4 pond fijne broodsuiker, 1/2 pond boter,

10 eieren, waarvan vijf met het wit, 2 lepels rozenwater, 2 lepels

cognac (of brandewijn), 2 kopjes vol fijngesneden tangkwé, 1 kopje

vol manisan djeroek-kiemkit, 1 kopje vol manisan djeroek-manis, 2

kopjes vol fijngesneden kanaries of amandelen, 1 kopje vol gepelde

klèngkèng, 1 lepel fijngesneden foelie. 1 theelepel kruidnagelgruis

en 1/2 geraspte notemuskaat, zout.

Bereiding:

De boter klopt men wit met de suiker; daarna doet men het meel hier

langzaam bij en vervolgens, óók langzaam-aan, de opgegeven tien

eieren. Voeg daarna de cognac en het rozenwater met de specerijen en

de fijngehakte manisans en amandelen hierbij. Roer dit alles tot een

kneedbaar deeg, dat men in een met boter besmeerden vorm stort. Laat

dit beslag eenigen tijd rijzen en bak het, als tulband, in een matig

warmen oven.

Om zich, bij dergelijke gebaksoorten te overtuigen, dat de koek van

binnen gaar is, prikt men er met een lidi of een breinaald in. Kleeft

er meel aan de naald, dan is de koek nog niet gaar.

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 627 / 1109 题