581. KWÉE KEPALA-KODJA.

Een pond tarwebloem (tepong-trigoe), 15 geklutste eieren, 1 ons

fijngesneden sukade, 1/4 pond krenten, 1/4 pond gepelde kanaries of

zoete amandelen, 1/8 pond tangkwé, 1/2 pond witte suiker, 1/2 pond

boter, 2 stuks vanille, 1 1/2 theelepel fijne kaneel, 1/4 geraspte

notemuskaat, een weinig fijngestampte kruidnagels, 5 stuks kardemon,

zout, suikerglazuur. (Zie No. 712).

Bereiding:

De specerijen worden samen goed fijngestampt, daarna met het

meel en de suiker vermengd en de geklutste eieren er langzaam

door geroerd. De krenten worden goed schoongewasschen, de sukade

en tangkwé fijngehakt, een gedeelte der kanaries fijngestampt,

en dit alles vermengd met het meel en de boter, die men te voren

gesmolten heeft. Nadat dit goed dooreen is gekneed, geeft men er den

cilindervorm aan, ongeveer 2 d.M. hoogte, en bakt dit in den oven,

die matig warm moet zijn. Wanneer deze koek doorbakken is, wordt hij

rondom met wit suikerglazuur bestreken. De bovenkant van den koek,

die gebombeerd is, versiert men te voren met gesneden amandelen. Het

gebak wordt als krentenbrood en tulband behandeld.

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 626 / 1109 题