562. BOEBOER SARÈN.

Een pond javaansche suiker, 1 kopje water, 1 1/2 pond ketanmeel, 3

kopjes water, 10 à 12 schijfjes djahé, 20 fijngestampte kruidnagels,

1/2 theelepel fijne witte peper, 1/2 geraspte notemuskaat, een stuk

gebrande fijngestampte sepet-klappa (klappernootschors), geraspte

klapper of dikke, gekookte santen.

Bereiding:

Het ketanmeel wordt met de drie kopjes water aangemaakt; vervolgens

kookt men de javaansche suiker met het andere kopje water. Als dit

gesmolten is, doet men er de verschillende opgegeven kruiden in,

die men te voren bij elkander heeft fijngestampt.

Het aangemaakte meel kookt men, al roerende, even op, en lengt dit

aan met de gekruide suiker. Kook dit nu samen op, tot het gaar en

dik wordt. Eindelijk stort men dit over in een ondiepen schotel of

basi kasar en laat het bekoelen.

Wanneer men deze boeboer gebruikt, wordt ze aan reepen gesneden en

eet men er geraspten klapper of dik gekookte santen bij.

Men kan van dit beslag, nadat het met de gekruide suiker vermengd en

gekookt is, ook pakjes maken, in pisang-bladeren gewikkeld, met een

weinig santen of geraspte klapper er boven op.

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 605 / 1109 题