Een pond javaansche suiker, 1 kopje water, 1 1/2 pond ketanmeel, 3
kopjes water, 10 à 12 schijfjes djahé, 20 fijngestampte kruidnagels,
1/2 theelepel fijne witte peper, 1/2 geraspte notemuskaat, een stuk
gebrande fijngestampte sepet-klappa (klappernootschors), geraspte
klapper of dikke, gekookte santen.
Bereiding:
Het ketanmeel wordt met de drie kopjes water aangemaakt; vervolgens
kookt men de javaansche suiker met het andere kopje water. Als dit
gesmolten is, doet men er de verschillende opgegeven kruiden in,
die men te voren bij elkander heeft fijngestampt.
Het aangemaakte meel kookt men, al roerende, even op, en lengt dit
aan met de gekruide suiker. Kook dit nu samen op, tot het gaar en
dik wordt. Eindelijk stort men dit over in een ondiepen schotel of
basi kasar en laat het bekoelen.
Wanneer men deze boeboer gebruikt, wordt ze aan reepen gesneden en
eet men er geraspten klapper of dik gekookte santen bij.
Men kan van dit beslag, nadat het met de gekruide suiker vermengd en
gekookt is, ook pakjes maken, in pisang-bladeren gewikkeld, met een
weinig santen of geraspte klapper er boven op.