Overgebleven stukken van vleesch of gevogelte, een paar sneedjes
ham, eenige lepels boter, 1 glas witte wijn, bouillon en een weinig
djeroek-sap, 1 lepel meel, zout, peper, notemuskaat, kruidnagels naar
smaak, daon salam, 10 fijngesneden uitjes.
Bereiding:
De uitjes worden met de overgeschoten stukken vleesch en ham in boter
gesmoord. Doe er daarna den wijn, den bouillon, 't djeroek-sap en de
specerijen bij; laat dit op een zacht vuurtje, langzaam, gedurende
eenige uren, smoren.
Braad daarna het meel met een weinig boter bruin en roer dit door de
saus, waarna men dit alles doorzeeft.
Deze saus, wordt, als zij niet gezeefd wordt, bij vleesch voorgediend.
Wordt zij gezeefd, dan kan zij bij andere saucen worden gebruikt,
en kan zij bovendien, mits goed gesloten, op een koele plaats,
eenigen tijd bewaard blijven.