A. Een bord vol rauwe, gepelde garnalen, 6 à 8 fijngesneden uitjes,
4 sioongs fijngesneden bawang-poetih, 1 theelepel fijne peper,
1 theelepel fijngesneden lombok, 5 schijfjes kentjoor, 4 schijfjes
djahé, 1 1/2 theelepel zout, 1 ei.
B. 6 fijngesneden uitjes, 4 sioongs fijngesneden bawang-poetih,
4 schijfjes kentjoor, 4 schijfjes djahé, 3/4 theelepel peper, 1
theelepel zout, 2 lepels vol fijngesneden daon bawang-moeda (prij),
bouillon, boter of olie.
Bereiding:
De garnalen worden fijngehakt, daarna neemt men de onder A vermelde
kruiden, stampt die fijn, vermengt ze met de garnalen, doet er het
ei door, maakt er balletjes van en braadt deze in boter of olie bruin.
Vervolgens stampt men de onder B. vermelde kruiden fijn, braadt die
ook bruin en doet er een à twee koppen bouillon en de fijngesneden
prij bij. Kook dit op en als het begint te borrelen, doet men er,
een voor een, de balletjes garnalen in. Houdt dit dan nog even op
het vuur en neem het daarna af, om het warm bij de rijst op te dienen.