Een bord vol rauwe garnalen, 1 lepel ketoembar, 1/2 lepel djienten,
1 theelepel peper, 1 theelepel zout, een kwart vingerlengte
gebrande koenjit, 8 fijngesneden uitjes, 4 sioongs fijngesneden
bawang-poetih, een of meer lomboks (naar smaak), 2 gebrande kemiries, 3
salam-bladeren, vier vingerlengten seréh, 2 kopjes vol geweekte laksa,
eenige kemangie-blaadjes, zout, santen van 1 klapper, klapperolie.
Bereiding:
De garnalen worden gepeld en van de koppen ontdaan, die men zoolang
ter zijde legt. Nu stampt men de kruiden, behalve de seréh en de
bladeren, fijn en braadt ze op in boter of olie, doet er de garnalen
bij en voegt daar nog een kopje santen-entjèr bij. Hierna maakt men de
garnalenkoppen schoon, stampt ze fijn en perst er het water uit, dat
men bij de kruiden en santen doet, met de seréh en de salam-bladeren.
Vervolgens giet men bij dit alles de santen-kentel en voegt er daarna
de laksa bij. Kookt dit nog even op en strooit er ten slotte eenige
kemangie-blaadjes over.