Gekookte visch, waarvan men het vleesch fijn afplukt; hiervan 2 kopjes
vol; 4 lepels meel, 1 lepel fijngehakte pieterselie, 1 eierdooier, 1
lepel boter, zout, peper en beschuitkruim, 3 of 4 geslagen eierdooiers,
1/2 liter melk. Boter of slaolie.
Bereiding:
Het meel roert men met de melk aan, vervolgens zet men dit op het
vuur, doet er den lepel boter in, en laat dit, al roerende, eenige
minuten koken, tot het dik wordt. Daarna doet men er de geklopte
eierdooiers, het zout, de peper, den fijngeplozen visch en de gehakte
pieterselie bij, kookt en roert dit samen goed dooreen, en laat het
dan bekoelen. Is dit koud geworden, dan vormt men er koteletten van,
die men met geslagen eierdooiers bestrijkt, in beschuitkruim wentelt
en daarna in heete boter of olie bakt.