Vulsel: ragoût van vleesch, champignons, ragoûtsaucijsjes. kleine
kalfsfrikadelletjes, morilles of kappertjes. Het deeg: 1/2 pond boter,
1/2 pond bloem, 1 theekopje water, 2 eierdooiers. (Zie No. 706,
pasteikorst).
Bereiding:
Men maakt eerst een bol van snippers papier, die men in boter drenkt;
daarna rolt men het deeg uit, één centimeter dik, en snijdt er een
rondte uit, zoo groot als ongeveer een bord; leg hierop den bal
snippers, snijdt dan uit het verdere deeg dat men weêr vereenigd
en uitgerold heeft, een tweede rondte, dat 1/2 centimeter dik is,
leg dit over den bal snippers heen en druk dit, van onder, in de
rondte goed aan, zoodat de bal bedekt is en het deeg met de onderste
laag aaneen zit. Van het restant deeg rolt men lange dunne reepen
en druk deze vast om het onderste gedeelte, als rand. Maak dan van
het restant meel een klein balletje en dan dit boven op den ronden
deegbal, druk dit er vast op. (Dit dient later tot deksel.) Strijk
nu, met een veertje, wat gesmolten boter met het geklutste geel van
twee eieren, over den deegbal. Zet dezen voorzichtig op een met boter
bestreken plaat, in den oven, te bakken. Zorg er voor, dat hij niet
bruin brandt. Is de bal voldoende geel gebakken, dan haalt men hem
er uit en laat hem koud worden.
Snijd nu een top van het bovendeeg, met het balletje als knop, af,
zoodat dit het deksel vormt, en haal heel voorzichtig de snippers
papier met een schaar of tangetje uit den bal. Bestrijk den binnenkant,
middels een kippenveer, met gesmolten boter en doe er dan het vulsel
in. Doe er het deegdeksel weêr op en bak alles in den oven nog eens
licht bruin.