Een kapoen, 1 pond varkensgehakt, zout, peper, kruidnagels en
notemuskaat naar smaak, 3 sneedjes in melk geweekt brood, en 2 eieren
(van dit alles gehakt gemaakt).
Voor de ragoûtsaus: bouillon, 1/2 pond ragoûtsaucijsjes, 1 fleschje
morilles, 1 blikje champignons, 1/2 blikje zwezerikken, 1/2 pond
frikadelletjes van kippenvleesch, 10 eierdooiers, sap van één
djeroek-nipis, 1 theelepel geraspte notemuskaat, boter.
Bereiding:
De kapoen wordt, na te zijn schoongemaakt, met het gehakt en de
fijngesneden hart en lever gevuld, daarna dichtgenaaid, in bouillon
gaar gekookt en met de volgende ragoûtsaus voorgediend.
De tien eierdooiers klutst men en doet er bouillon bij; de
frikadelletjes en de saucijsjes worden nu gaar gekookt en met de
morilles, champignons, zwezerikken enz. in den bouillon gedaan; dit
samen opgekookt tot alles dik wordt en daarna vlug de notemuskaat en
het djeroek-sap er door heen gedaan.
Nu wordt de gare kapoen op een grooten schotel geplaatst, de
frikadelletjes, saucijsjes en zwezerikken er netjes om heen gerangeerd
en de saus over dit alles heen gegoten.