5 of 6 jonge duiven; kokskruiden (No. 519), azijn, fijngehakte
pieterselie, gesmolten gelatine of agar-agar, zout en peper.
Bereiding:
De jonge duiven worden goed schoongemaakt en in tweeën gesneden,
vervolgens met zout en peper ingewreven.
Zooveel azijn als men denkt noodig te hebben wordt met de kokskruiden
en de gehakte pieterselie (een bordje vol) opgezet. Zoodra dit begint
te koken doet men er de duiven in. Als ze gaar zijn, haalt men ze er
uit en laat ze koud worden.
Vervolgens bindt men de saus met de gesmolten gelatine en giet dit
warm over de jonge duiven, die te voren in een steenen pot zijn
gedaan. Als de saus koud is, wordt de pot met perkament-papier, dat
te voren in brandewijn is gedrenkt, dichtgemaakt en dit stevig over
den pot vastgebonden. De pot wordt op een koele plaats bewaard.
Na eenige dagen kan men de jonge duiven, opgewarmd of koud, bij
brood gebruiken.