Een brooddeeg (bij den bakker te bestellen), 2 eieren met het
wit, 2 volle lepels boter, 4 lepels fijngesneden uien, 5 sioongs
fijngesneden bawang-poetih, 1 lepel ketoembar, 1/4 lepel djienten,
1 theelepel peper, 1 theelepel trassie, een kwart vingerlengte
fijngesneden koenjit, twee vingerlengten seréh, 3 schijfjes laos,
2 lepels fijngesneden bliembing-asem, santen van een klapper.
Een kip, 3 hard gekookte eieren, het geklopte geel van een paar eieren,
gesmolten boter, zout en klapperolie. (Voor het brooddeeg zie No. 693).
Bereiding:
Het deeg kneedt men goed met water, zoodat men het kan uitrollen. Dit
uitrollen moet zoo dun mogelijk geschieden; snijd er dan ronde
schijfjes van, doe er het volgende vulsel met een stukje hard gekookt
ei in, vouw de schijfjes dicht en braad ze in versche klapperolie en
wat boter op, tot dat ze aan beide kanten er bruin uitzien.
Het vulsel: de kip wordt van al het vleesch ontdaan en dit vleesch
fijngehakt; daarna stampt men de specerijen, behalve de seréh en de
bliembing-asem, fijn, braadt dit in boter op, doet er het gehakte
kippenvleesch en de bliembing-asem met de seréh bij, braadt dit nog
even samen op en doet er dan de santen bij. Men laat dit bijna droog
koken en vult er dan de schijfjes deeg mede op.
De gevulde pasteitjes worden met het geel van ei en de gesmolten
boter bestreken, alvorens men ze gaat braden.