Twee jonge kippen, de magen en levertjes, 1/2 pond ragoûtsaucijsjes,
1/2 pond frikadelletjes van kalfs- of varkensvleesch. 1 ons laksa,
1 theeschoteltje vol geweekte koeping-tikoes, evenveel sedap-malam,
3 lepels fijngesneden gebraden uien, 1 theelepel zout, 1 theelepel
peper, een paar stukjes foelie, 5 of 6 heele kruidnagels, 1/2 theelepel
geraspte notemuskaat, 2 groote lepels boter, 2 hard gekookte eieren
in vierde parten gesneden, 1 lepel ketjap, 1 lepel djeroek-water,
1/2 kopje fijngestampte beschuit, boter.
Bereiding:
De jonge kippen snijdt men aan stukken, slaat de beenderen er in fijn,
braadt ze daarna in boter bruin; de frikadelletjes worden ook bruin
gebakken; de ragoûtsaucijsjes worden met de hartjes en levertjes der
kippen gaar gekookt en de bouillon er van bewaard, om er later de
pastei meê te overgieten.
Intusschen heeft men de laksa, de koeping-tikoes en de sedap-malam
geweekt en schoongewasschen.
Nu neemt men een pasteischotel of een basi kasar, doet hierin een paar
lepels boter en wat bouillon en schikt nu, laag om laag, de stukken
kip, de saucijsjes, frikadelletjes, laksa enz. enz. met peper, zout,
kruidnagels en notemuskaat vermengd, er in.
Daarna legt men er netjes de in vierde parten gesneden eieren op. Neem
nu een kop bouillon, doe hierin de ketjap en het djeroek-water, en
overgiet hiermede de pastei; verder strooit men er beschuitkruim over
en doet er ten slotte een paar stukken boter op. Bak dit gerecht in
den bakoven, met van onder en boven vuur, gaar.
N.B. Men kan er ook een aardappelen of een deeg korst over heen
maken. (Zie hierachter, pastei-korst No. 522 en 706).