192. KIPPENPASTEITJES.

Een vette kip, 1/2 pond bloem, 1 ei, 1 theelepel zout, eenige

geklutste eierdooiers, 2 lepels boter. Voor het vulsel: 2 lepels

fijngesneden uien, 1 lepel fijngehakte pieterselie, het vleesch van

een kippeborst fijngehakt, het sap van één djeroek, zout, peper en

notemuskaat naar smaak.

Bereiding:

Eerst kneedt men van het meel, het zout, het ei, wat lauw water en

boter een deeg, dat lenig genoeg is om verwerkt te worden; daarna

rolt men dit deeg uit op de deegplank en snijdt of steekt er ronde

of vierkante plakjes van, die men van het volgende vulsel voorziet

en daarna in den vorm van halve maantjes dichtvouwt.

Wanneer men ze gaat bakken, bestrijkt men deze halve maantjes met

het geslagen geel van twee eieren en bakt ze in den bakoven, met van

onder en boven vuur, bruingeel. Men kan ze ook in kokend heete boter

en slaolie lichtbruin bakken.

Vulsel: het vleesch van de kip- of van de kippenborst wordt met de

kruiden voor het vulsel gebraden, in een à twee lepels boter. Hierna

perst men er citroensap op en vult er de plakjes deeg mede op.

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 213 / 1109 题