4 lepels rauwe petis, 3 lepels fijngesneden uien, 2 sioongs
fijngesneden bawang-poetih, 2 fijngesneden lomboks, 1 lepel
fijngesneden temoe koentjie, 1 theelepel fijngesneden laos, 1 1/2
lepel fijngesneden seréh, 2 theelepels trassie, een weinig suiker,
naar smaak, 1 of meer kopjes asem-water, 2 djeroek-poeroet-bladeren,
een salam blad, zout, santen een kopje vol, en evenveel warm water,
boter of klapperolie.
Bereiding:
Bovengenoemde kruiden, met uitzondering van de petis, trassie, lomboks,
de djeroek-poeroet- en salam-bladeren, worden fijngestampt en in goed
boter of olie gefruit; daarna, als de uien bijna gaar zijn, maakt men
de trassie met wat water fijn en voegt dit met het asem-water en het
kopje warm water bij de gebraden kruiden; vervolgens doet men hier de
vier lepels rauwe petis bij en roert er in, tot de petis versmolten
is. Daarna doet men er de djeroek-poeroet- en salam-bladeren bij,
laat dit alles goed koken, voegt er dan de santen bij en laat alles
hierin doorkoken, tot de olie er uitkomt.