12 hardgekookte en doorgeprikte eieren, twee vingerlengten koenjit,
2 lepels fijngesneden lombok, 2 lepels fijngesneden uien, 4 sioongs
fijngesneden bawang-poetih, eenige schijfjes laos, 1 eetlepel
ketoembar, 3/4 eetlepel djienten poetih, 1 theelepel fijne peper.
Verder: twee vingerlengten seréh, 4 à 5 kruidnagels, 4 schijfjes
djahé, 1 theelepel mosterd, 4 lepels gebraden uien, santen van 1 of
2 klappers. Zout naar smaak.
Bereiding:
De eerste serie kruiden wordt fijngestampt, in boter bruin gebraden
en daarbij de eieren in hun geheel gefruit.
De mosterd lengt men met een weinig santen aan, voegt dit met de,
later opgenoemde, kruiden bij de eieren samen en doet hier de santen
bij. Laat alles koken tot het een dikke saus wordt.