Allerlei soort van groenten, fijngesneden; de kruiden zijn: 1 lepel
ketoembar, 1/2 lepel djienten. 1 theelepel peper, eenige schijfjes
fijngesneden laos, eenige schijfjes fijngesneden kentjoor, 1 theelepel
trassie, 2 lepels fijngesneden uien, 2 theelepels fijngesneden
bawang-poetih, 5 gepofte kemiries, 1/4 geraspte klapper, 2 theelepels
zout. Santen-kentel van 1/2 klapper. Asem- of djeroek-water naar smaak.
Bereiding:
De groenten worden eerst heel fijn gesneden en met wat zout gaar
gekookt. Vervolgens brade men afzonderlijk de fijngesneden uien,
bawang-poetih en laos, bruin, en voegt er daarna, de fijngesneden
lombok bij. De overige kruiden stampt men bij elkander fijn, braadt
ze afzonderlijk met den geraspten klapper, voegt hier de santen bij,
vervolgens de gekookte groenten en laat dit alles samen opkoken.
Ten laatste voegt men, vóór het opdienen, de gebraden uien en laos,
en eindelijk het asem- of djeroek-water bij.