T.

Tabbertje. (N.E. tábiki) ook wel tabbetje of tappetje (bij oude

schrijvers) genoemd, is een eiland in de rivier.

Taboe. Iets wat verboden is. (Zie blz. 37).

Tairu-blad. Vermoedelijk het pijlvormige blad van tajers. (Zie aldaar).

Tajers zijn variëteiten van twee Collocasia-soorten (C. esculenta en C.

antiquorum), van welke de verdikte boven- en onderaardsche

stengeldeelen gegeten worden. De wilde tajer (N.E. Krassi-taja) is

wegens de vele kristalnaalden en scherp melksap niet als voedsel te

gebruiken.

Tamanaca’s. Een C.-stam.

Tamanoea. C. en A.-naam voor den grooten miereneter (Myrmecophaga

jubata L.). Met zijn kleverige, wormvormige tong, die snel uit den

langen, in een puntigen snuit eindigenden, tandeloozen bek gestoken kan

worden, bemachtigt de T. duizenden mieren en termieten tegelijk. Als

tegenstander is de T. zeer gevaarlijk, want hij tracht,

overeindstaande, met de groote sikkelvormige nagels der achterpooten

zijn aanvaller den buik open te rijten.

Tamoesi. Een der namen, waarmede door de I. de Groote Geest wordt

aangeduid. Aan deze namen ligt echter niet het geloof aan God, volgens

Christelijke begrippen, ten grondslag.

Tapana. Zie: Paiwarri.

Tapir. In de oerwouden van G. is het grootste zoogdier de T. (Tapirus

americanus), een soort van het ook in Azië levende geslacht Tapirus,

door de N. bóffroe (= buffel) genoemd. Dit vierhoevige, van een korten

snuit voorziene, dikhuidige dier, leeft van bladeren en vruchten.

Evenals de landschildpad is de T. zeer verlekkerd op de z.g.

Spondias-pruim (Zie: pruim). Een zeer gewild jachtdier bij de I. (Zie:

Maipoeri).

Tijger. In Amerika komt de tijger, de groote fraai gestreepte

kattensoort van Azië, niet voor. Zoowel in de I.- als in de

N.-folk-lore wordt met Tijger steeds de Jagoear (Z. a.) bedoeld.

Tobe-horo-anna, dat in het Warrausch letterlijk huid van den zwarten

tijger beteekent, is ook de naam, dien men geeft aan een reusachtig

groot, zeer gevreesd roofdier, dat, naar beweerd wordt, diep in het

woud leeft, doch dat men nog nimmer gezien heeft. De Warraus gelooven,

dat het dier een tijger (= jagoear) is gedurende zijn strooptochten

door het bosch, maar dat hij thuis een gewoon mensch is. [381]

Tomahawk. Strijdbijl der Noord-Amerikaansche I., gelijk de Apatoe (Z.

a.) is bij de Zuid-Amerikaansche stammen. De strijdbijl is bij alle I.

het symbool van den strijd.

Tom-tom of Tontòm (N.E.) is een pudding van gekookte en gestampte

bananen, ook van meel en dergelijke. Op etenstijd komt de I. vrouw der

Benedenlandsche C. (C. a.) haar man de tontom brengen, die hij niet met

haar eet.

Trens. Vaart of kanaal voor de afwatering (= loostrens) of voor het

vervoer der produkten door en van de plantage naar de rivier (=

vaartrens).

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 169 / 174 题