S.

Sabakoe. Zie: Reiger.

Samboela. C. naam voor trom. De I. trom is een uitgehold stuk boomstam,

dikwijls van den Maripa-palm. Over beide open uiteinden is een herten-

of boschvarkensvel gespannen. Bij de dansfeesten hangen deze trommen

met touwen aan dwarsbalken der hut of aan een daartoe opgestelde

stellage van bamboe (zie afb. in C. a.).

Saoeba-mier (ook Saba-mier), wordt ook blad- of parasolmier (Atta

cephalotes) genoemd, omdat deze mier soms in één enkelen nacht geheele

boomen ontbladert. Bij deze rooftochten begeven deze mieren zich bij

millioenen in bepaalde optochten naar de boomen (vooral naar de jonge

Mora-boomen), snijden de bladeren in stukken en laten deze op den grond

vallen. Zij nemen de bladfragmenten tusschen de kaken en dragen deze

recht overeind naar het nest (C. b.), waar door de rotting van de massa

een kleine champignon ontstaat, van welke deze mieren leven

(Champignon-tuinen). De Saoeba-mier is bij de C. het zinnebeeld van

succes.

Savanne. Schaarsch begroeide vlakte, wier bodem doorgaans, hoewel niet

altijd, uit zand bestaat.

Schildpad. In de oerwouden van G. komt slechts één schildpadsoort voor

(Testudo tabulata Wahlb.). door de C. Wajamoe, door de A. Hikoeli

genoemd. De N.E. naam is Sekrepatoe. Deze landschildpad kan een lengte

van 5 dec. bereiken, voedt zich met allerlei planten en vruchten, is

vooral verlekkerd op de zg. Spondias pruimen (zie: Pruim). Bij de C. is

de schildpad het zinnebeeld van verliefdheid.

Schimmel. Hier wordt een brandschimmel (Ustilago-soort) bedoeld, die

veel schade aan de Maïs doet.

Schoonmoeder. Voordat Europeesche invloeden zich bij de I. deden

gelden, was het een I. ten strengste verboden, de hut zijner

schoonmoeder binnen te gaan, met haar te spreken, zelfs naar haar te

kijken.

Schopappel. (Sur. Skopappel). Zie: Anona.

Scolopendra. Zie: Duizendpoot.

Sekrepattoe. N.E. voor schildpad (zie aldaar), meer bepaaldelijk voor

landschildpad.

Semi-tchichi of Semi-cihi, door de A. gebruikt, wordt door hen ook

gebezigd voor al hetgeen men doet of gebruikt, om zich de noodige

tooverkracht te verzekeren.

Specht. In G. komen verschillende spechtsoorten voor, die ook daar

„Timmerman” worden genoemd. Ook in G. hebben bijna alle spechten een

rooden bovenkop of kuif. Het gehamer of geklop kan men ver in den

omtrek hooren.

Springmand. Mand, voorzien van een schuifdeur, waaraan een naar beneden

gebogen tak is vastgemaakt. Wanneer de visch zich met een aan deze tak

bevestigd lokaas wil verwijderen, wipt de tak omhoog en schuift de deur

dicht.

Soesa. Dans, waarbij de voet- en beenbewegingen de hoofdrol vervullen,

en waarmeê de mannen en jongens zich bij de N. vermaken (C. b.)

Steenen bijl. Het voorgeslacht der tegenwoordige I. gebruikte steenen

bijlen, die in gedaante volkomen overeenstemmen met de gepolijste

bijlen uit het Neolithische tijdperk der menschelijk praehistorie in

Europa. Deze bijlen zijn eertijds bij de I. van geheel W.-I.—ook bij

die, welke de eilanden bewoonden—in gebruik geweest. Dit werktuig of

wapen bestond uit een hard, op een steenblok geslepen steenstuk, dat

niet zelden een waar kunstprodukt is. Niet elke I. schijnt zijn eigen

bijl te hebben vervaardigd, maar hij ruilde die bij andere stammen of

dorpen in, waar bepaalde werkplaatsen voor het slijpen bestonden,

evenals dit ook in de Neolithische periode—de tijd van den gepolijsten

steen—in Europa het geval is geweest. Men vindt zulke bijlen niet

zelden als oudheden in den bodem van G.; maar ook van Curaçao en andere

W.-I. eilanden zijn zij bekend. Merkwaardig is het, dat—evenals elders,

ook in ons land—ook de S.-bevolking gelooft, dat deze bijlen gedurende

een onweer uit de lucht zijn komen vallen. Vandaar ook daar de

volksnaam: dondersteenen. De C. gelooven, dat deze bijlen door

Konomeroe (den Dondergod) uit woede naar den grond geslingerd zijn,

teneinde den onverlaat te treffen, die zijn dochter onteerde. Een

legende doelt hierop (P. a.). De Aroaksche traditie omtrent oude bijlen

luidt, dat men deze eertijds zoo waardevolle werktuigen van een verre

landstreek moest halen en dat jaren noodig waren, om deze streek te

bereiken. Een der legenden, die zulk een lange reis beschrijft, heeft

Walter E. Roth (R.) medegedeeld.

Stinkvogel. In S., waar zij door de N. Tiengi-fouroe (eigenlijk fouloe,

van het Engelsche fowl) genoemd worden, verstaat men onder dezen naam

verschillende giersoorten. Een kleine soort (Catharista atrata) is

geheel zwart en doet als vuilnisman in Paramaribo dienst, waar hij

beschermd wordt. Een zeer fraai gekleurde en groote soort (Koningsgier,

Gypagus papa, ook wel Tiengi fouroe granman = gouverneur der

stinkvogels genoemd) komt in het oerwoud voor (C. b.).

Stekelvarken. Coendu prehensilis is een knaagdier, welks huid met

zwarte en gele stekels bedekt is, een lange grijpstaart heeft en in

boomen huist.

Swamp. Moerassige plaats in de oerwouden van Guyana.

Swaroedaroe. Zwaar vergiftigde pijl.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 168 / 174 题