V.

Vampier. In G. komen bloedzuigende vleermuizen (o.a. Desmonus rufus)

voor, die des nachts menschen en dieren bloed uitzuigen, en die men

Vampiers noemt. Het zijn groote vleermuissoorten, wier bepaling nog

onzeker is. Het muskieten-net over de hangmat beveiligt de slapenden

tegen den beet, waarvan men niet wakker wordt, omdat het dier door

zuigen met de lippen de huid vóór den beet ongevoelig maakt.

Vergiffen, hier meer in het bijzonder bedoeld als hulpmiddel bij de

vischvangst. De I. gebruiken verschillende plantenvergiffen, om

visschen te verdooven. Het meest in gebruik is de nekoe (een

liaansoort). De kreken worden daartoe zoodanig afgedamd, dat het water

wel kan wegstroomen, maar dat de uitweg is afgesneden. De in het water

geworpen gifstof bedwelmt de visch, die spoedig komt bovendrijven.

Verweeringskorst. De korst, die in G. vele gesteenten, in het bijzonder

de donkergetinte kalkrijke en veel ijzer houdende, kristallijne

gesteenten bedekt, en deze tegen verdere verweering beschermt (daarom

door de duitsche aardkundigen „Schutzrinde” genoemd), bestaat in

hoofdzaak uit een oxyd van ijzer en mangaan. Hoe rijker het gesteente

aan donkere ijzer- en mangaanrijke mineralen is, des te meer de korst

op gepotlood ijzer gelijkt. (C. c. blz. 62, enz.).

Vloed. Onder talrijke Indianenstammen, zoowel van Noord- als van

Zuid-Amerika, wordt het geloof aan een grooten vloed in hunnen mythen-

en legendenschat aangetroffen. De Zuñis bijv. die in een dorre streek

in het westelijk deel van Nieuw-Mexico leven, nemen aan, dat zij van

hun oorspronkelijk verblijf, meer westwaarts gelegen, door een grooten

watervloed in oostwaartsche richting verdreven zijn geworden naar een

heerlijke Mesa (= tafelland) van rooden en witten zandsteen, waar zij,

blijkens de uitgebreide pueblo (= stad of dorp)-ruïnen—met belangrijke

tempels gewijd aan den vader Zon, de moeder Maan en de

oorlogsgoden—zeer lang moeten hebben gewoond (K.). Ook de mythen en

sagen van de I. van G. vertellen meermalen van een vloed, waarbij

slechts een klein deel der menschheid, soms één menschenpaar, zich

heeft weten te redden. In verband hiermede is het de aandacht waard,

dat in een jonge periode, die vermoedelijk samengevallen is met de

diluviale periode of den ijstijd in Europa, van de bergen van G. enorme

vloeden moeten afgestroomd zijn, die, door hun zooveel grooter

transporteerend vermogen dan de tegenwoordige rivieren, aan uitgebreide

afzettingen het aanzijn hebben gegeven (leem-, klei- en zandgronden,

afgewisseld met uit grover materiaal gevormde lagen, zg. conglomeraten,

brecciën en zandsteen) die het zg. Savannegebied vormen, dat het

bergland van de lage alluviale gronden scheidt (C. c. blz. 44–54) en

die aan de oevers langs de benedenrivieren bij laag water in banken te

voorschijn komen.

Het is verre van onwaarschijnlijk, dat de mensch in bedoelde periode

ook reeds Amerika bewoonde. Dat reeds lang uitgestorven dieren nog

steeds in de herinnering van een volk konden blijven voortleven, hebben

de legenden geleerd, die bij de oorspronkelijke bewoners van Australië

zijn opgeteekend, en zo kan het niet verwonderen, dat van deze vloeden

nog bij de tegenwoordige I. de herinnering bewaard is gebleven.

Vogelspin. Zeer groote spinnen, zoo genoemd, omdat zij ook wel eens

kleine vogels, als Kolibries, overvallen. Men onderscheidt nog twee

soorten Mygale blondii, en M. avicularia. De eerste is de grootst

bekende spinnensoort. Het sterk behaarde dier leeft in den grond,

waarin het gangen bewoont (soms 60 cM. lang), aan wier ingang het tegen

den avond op de loer ligt. De tweede soort is kleiner en maakt haar

zakvormig spinsel overal, op boomen, tusschen de bladeren der ananas,

in huizen.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 170 / 174 题