Pagaal. Zeer waterdichte, vierhoekige mand, uit wariembo-riet (zie
aldaar) gevlochten, en zoowel door I. als door B. vervaardigd. De
I.-pagalen zijn door de zorgvuldige bewerking voor water haast
ondoordringbaar en door de met zwarte en gekleurde reepen aangebrachte
motieven, ware kunstprodukten.
Paiwarri. In Engelsch G. duidt men met dezen naam den drank aan, die
bereid wordt uit dik, eenigszins verbrand Cassave-brood, dat gekauwd en
in een korjaal gespuwd wordt. Het mout komt er bij in den vorm van een
enkele dagen te voren gereedgemaakte stroop van een weinig gekookt
Cassave-sap en eenige verbrande koeken. De korjaal wordt daarna met
palmbladeren bedekt om de massa eenige dagen te laten gisten.
Tegenwoordig is deze onsmakelijke bereiding verlaten. De A. noemen
dezen drank, die eenigszins zuur smaakt, Tapana. De I. spreken van
Tapana- of Paiwarri-feesten.
Pakira. Een der wildezwijnen-soorten van het geslacht Dicotyles, die in
de oerwouden van G. in troepen voorkomen. De Pakira (Dicotyles
torquatus) is de kleinste der twee, en leeft in troepjes van 6–8
bijeen. Zij woelen met den snuit den grond om en geven de voorkeur aan
palm- en andere vruchten. Het vleesch van beide soorten is zeer
smakelijk.
Palissadepalm, ook Pinapalm genoemd (Euterpe oleracea), is een
sierlijke palm, waarvan de dunne stam en de groote geveerde bladeren
zeer waardevol materiaal voor den bouw van woningen en hutten oplevert.
De uitgebloeide bloemtrossen worden als bezems gebruikt.
Paloeloe (Palaloe) is de Wilde Banaan (Heliconia Bihai L.). De groote
bladeren worden door de I. voor de bedekking hunner hutten gebezigd.
Ook de aanverwante H. psittacorum L., eveneens in het oerwoud
voorkomend, wordt voor dit doel gebruikt.
Papaja. (Carica papaya L.). Boom met weeken, kalen stam en dichte kroon
van handvormig ingesneden bladeren. De vruchten zijn licht verteerbaar,
de bladeren worden gebruikt om vleesch malsch te maken.
Parel noemt men in S. de pagaai, waarmede de booten worden
voortbewogen. Parels zijn plat en lancetvormig, en bovenaan van een
halve-maanvormige uitsnijding voorzien, waarin de hand past. Doorgaans
worden zij gemaakt van de plaatvormige steunwortels van Aspidosperma
exelsum Benth., daarom parelhout genoemd.
Pasrie, ook wel Pasirimbo genoemd, is een in der haast uit één palmblad
gevlochten korf.
Patatten. De wortelknol van een kruidachtige, kleine plant (Ipomoea
batatas L.) wordt gekookt of geroosterd gegeten, maar ook als veevoer
gebruikt. Zoowel I. als N. planten dit gewas op hunne kostgronden aan.
Switi patata (zoete patatten) is de N.E. naam.
Palatten-luis, in het fransch „bête rouge” genoemd, is de larve van een
tot de mijten (Acarina) behoorend uiterst kleine mijtsoort
(Microthrombidium batatas), die in het gras en andere planten der
bodem-vegetatie leeft, en zich door haakvormige kaken in de huid boort.
Zij brengen hier een ondragelijk jeuken te voorschijn. In het S.
oerwoud komt de plaag plaatselijk voor (C. b.).
Pawana’s. De Penards (P.), aan wien wij deze bijdrage tot de Folklore
der S. I. ontleenen, vermoeden, dat met Pawana’s bedoeld worden de
Parawana’s of Parwa-I., die hunne kampen bouwden tusschen de wortels
der aan de kust groeiende Parwa- of Mangrove-boomen (Rhizophora
mangle). Deze I. waren zeker verlekkerd op krabben, om zoodanige
plaatsen op te zoeken.
Pepers. Behalve de kleine roode Spaansche peper (Capsicum frutescens),
worden in G. nog andere Capsicum-soorten gekweekt, wier vruchten een
belangrijke specerij voor den peperpot (Z. a.) zijn. Het is een oude
gewoonte bij I. van G., om pepers (gedroogde Capsicum-vruchten) in het
vuur te strooien, ten einde een vijand te verdrijven. (No. 10 der
I.-serie).
Peperpot (kasripopot), bereidt men uit pap van de bittere Cassave, die
men tot een bittere brij laat koken. In den pot, die volgens I.-geloof
nooit mag worden schoongemaakt (zie No. 26), wordt het voorradige
vleesch en de visch met veel Spaanschen peper dooreengeroerd, om een
der voornaamste gerechten van den I. te bereiden. Altijd staat bij hen
een peperpot klaar. De peperpot wordt steeds bijgevuld.
Piengo of Piengoe (Poeingo bij de C. en Dodele of Keheron bij de A.) is
een der beide boschvarkens (zie Pakira), in troepen door de oerwouden
van G. trekkend. Piengo is de negerengelsche naam voor Dicotyles
labiatus. In kudden van 20–100 stuks trekt deze op voedsel uit, onder
leiding van een aanvoerder, door de N. Piengo-granman genoemd. Zij
trekken in rechte lijn en zijn daarom gevaarlijk voor hen, die in het
bosch kampeeren. Des morgens vroeg trekken zulke troepen dikwijls de
rivieren over (C. b). Het vleesch is smakelijk, als zorg wordt
gedragen, de klier aan de rugzijde, die een naar muskus riekende stof
afscheidt, snel uit te snijden.
Pijnen. Het vermogen, om lichaamspijnen te verdragen, wordt bij de I.
hoog geschat. Vandaar de pijnlijke proeven, waaraan de tot jongeman
bevorderde I. maar in het bijzonder de candidaat-hoofdman en de
candidaat-piaiman zich hebben te onderwerpen (o.a. de wespen- en de
mierenproef).
Pisang. Zie: banaan.
Pot. Zie: peperpot.
Potaro-val, ook wel Kaieteur’s-val—zoo genoemd naar den ouden man, die
er den dood vond, is een 822 voet hooge waterval in de Essequibo
(Britsch-G.), ontdekt door Barington Brown. De I. noemen hem Oude man’s
val.
Powies. Deze tot de hoenders behoorende vogel (Crax alector) is een der
meest gezochte wildsoorten van G. Een zijner borstspieren is wat wij
een flinke lap vleesch noemen. Van de rivier uit is deze vogel niet
moeielijk onder schot te krijgen.
Pruim. Wat hier pruim genoemd wordt is de z.g. Spondias-pruim, de gele
vrucht ter grootte van een kleine pruim van den Mopé (Spondias lutea
L.), een grooten boom, in het oerwoud van G. veel voorkomend. Deze
vruchten worden door den Tapir en den schildpad (Z. a.) als lekkernij
opgezocht. In S. beweert men, dat een vreemdeling, die eenmaal deze
vrucht geproefd heeft, nooit meer de kolonie verlaat.
Púskita. Het jaarlijksche groote feest, door de Creek-I. van Alabama en
Georgia sedert overoude tijden gevierd, en dat acht dagen duurt.