Kaaiman. Zie: Alligator.
Kaikoutji of Kaikoetsji is de A. naam voor Kaaiman, de C. naam voor
Jagoear.
Kakkerlak. In G. komen van deze rechtvleugelige insekten meerdere
soorten voor, die door hare vraatzucht zeer onaangenaam zijn. De gewone
soort (Blatta surinamensis) veroorzaakt in woningen veel last, waarom
spinnen, hare vijanden, er in hooge eere worden gehouden. Een groote
soort (Blatta gigantea) kan soms in het oerwoud onaangenaam zijn
(C.b.).
Kalebas. Vrucht van den Kalebasboom (Crescentia cujete L.). De vruchten
worden in G., behalve voor de maraka of tooverrammelaar van den I.
geestenbezweerder (piaiman), ook voor drinknappen en lepels bij de B.
gebruikt.
Kalìenja. Naam, die de C. der Benedenlanden zich zelven geven, en
beteekent, volgens de Penards (P.a.), donkere I.
Kalkoen, ook trompettervogel, in het N.E. kami-kami is de Psophia
crepitans. Deze vogel van de grootte van een hoen, maakt een
eigenaardig brommend geluid.
Kamisa. Lendenkleed, meest van blauw katoen, dat zoowel door I.-mannen
als door vrouwen (bij deze langer) gedragen wordt. Bij de Boschnegers
is het hier doorgaans kortere en eenige kleedingstuk der mannen een lap
katoen, die tusschen de beenen doorgehaald wordt, en waarvan voor- en
achtereinde over een als gordel dienenden katoendraad afhangen.
Kankantrie is een verbastering van Cotton-tree. Deze groote,
majestueuse boom, ook zijde-katoenboom (Ceiba pentandra Gärtn.)
genoemd, wordt door de S. negers Boesi-granman (= Boschgouverneur)
genoemd, en door de B. nog vereerd. Volgens het uit Afrika
medegebrachte geloof, dat aldaar aan, in voorkomen op den kankantrie
gelijkende, boomen verbonden is, dient deze boom tot verblijf aan
verschillende kwade geesten (C.e.), o.a. aan de Koemaka-joroka der
Arowakken.
Kanoa. Een zeer groote korjaal (boot), die vroeger bij de Indianen
speciaal voor oorlogsdoeleinden werd gemaakt en wel 200 à 300 krijgers
bevatten kon.
Kapitein. Hoofd van een I.-dorp. Bij de B. staat een kapitein in rang
onder een Groot kapitein.
Kapasi. Zie: gordeldier.
Kapasi-slang. Een, soms 2 M. lange, zeer giftige slang (Lachesis
mutus), die, naar men zegt, in een gordeldier-hol verblijf houdt
(vandaar de naam) en met dit dier gemoedelijk samenleeft. Een
gelijksoortige samenleving van gravend zoogdier en slang is van den
prairie-hond bekend.
Kasjoe. Lage boom (Anacardium occidentale L.), die in alle tropische
landen om de vruchten gekweekt wordt; de eigenlijke vrucht, die zwart
en niervormig is, wordt gedragen door den grooten, vleezig opgezwollen
vruchtsteel (schijnvrucht), waarvan op Curaçao gelei gemaakt wordt.
Kassaroa of Kassoeroe-xoewa is een klein vischje (Anableps
tetrophthalmus Bloch.), dat in kleine scholen in riviermondingen en
langs het strand op modderbanken leeft, en in tint met het modderige
water zoo merkwaardig overeenstemt, wordt ook wel slijkspringer,
vieroog (vandaar de wetenschappelijke naam) genoemd, omdat zijn oogen
horizontaal in tweeën verdeeld zijn, zoodat hij met de bovenste
ooghelft in de lucht (vandaar de derde naam hoogkijker) en met de
onderste in het water ziet.
Kauries of Kauri-schelpen. Een kleine gele Katjesschelp (Cypraea
moneta) wordt bij de N. sedert lang als betaalmiddel gebruikt. Ook in
den kleinhandel met S. B. werden eertijds Kauris gebruikt, die als
Papamoni bekend waren. Nu nog wordt deze schelp door de B. als amulet
(voorbehoed- of beschermingsmiddel tegen booze geesten) gebruikt.
Kenaima’s. Wrekers. (Zie blz. 41).
Kikvorsch. Talrijk zijn in G. de tot de Vorschachtige dieren (Anura)
behoorende Amphibieën. Vooral de padden en boomkikvorschen zijn er door
talrijke soorten vertegenwoordigd, die dikwijls door fraaie kleuren
uitmunten. Deze dieren nemen een groot aandeel aan het oerwoud-concert
(C. b.).
Klokkenvogel. Het geluid van dezen vogel (Procnias nudicollis Vieill.)
die op een naakte, groene keel en groene teugels na, een sneeuwwit
gevederte heeft, is een van de schoonste en treffendste geluiden van
het nachtelijk dierenconcert in de oerwouden van G. Het klinkt alsof
meerdere glazen klokken tegelijk worden aangeslagen. Volgens de I.
kondigt het geluid van dezen vogel veel zonneschijn aan.
Knip. De knip of val, door de I. opgesteld, om vogels te vangen en
Kravana genoemd, ziet er volgens de Penards (P. a.) uit als een
pyramide-vormige hoop takken, die aan één kant rusten of omhoog
gehouden worden door een houtje, waaromheen een touw loopt, dat aan
twee hoeken der kn. is bevestigd. Stoot een of andere vogel tegen dit
touw, dan valt de kn. dicht.
Koeroe-Koeroe is een ruw uit lianen of ook wel uit wariembo-riet
gevlochten mand met wijde mazen, dienende voor het vervoer van
cassave-wortels en ter bewaring van visch, krabben enz.
Koesoewé, ook wel Orlean Roekoe genoemd, is een roode kleurstof, die
vooral voorkomt in de laag om de zaden van Bixa orellana L., een kleine
sierlijke boom. Van deze kleurstof is het handelsprodukt afkomstig, dat
als boter- en kaaskleursel dient. Zie verder: Roodhuid.
Koeshi-mier. Zie: Saoeba-mier.
Kofa. Naam van een der Clusia-soorten (Clusia grandiflora). Z. bij
Bunia-vogel.
Kohora. Honigbij. Sommige bijensoorten, in holle boomen nestelend,
leveren den I. lekkeren honig op.
Kola-noten of Cola-noten zijn afkomstig van een tot de fam. der
Sterculaceën behoorenden boom, in tropisch Afrika inheemsch. Zij worden
gebruikt als opwekkend middel voor het hart en het spierstelsel.
Komaka of Koemaka. Zie: Kankantrie.
Koni-Koni. N.E. voor de Agoeti. (Z. a.). De S. N. gebruiken den naam
K.-K. ook voor andere knaagdieren, zooals het Guineesche biggetje. De
heldenfeiten van „Cunnie Rabbit”, door de N. van de Goudkust en Sierra
Leone (Cr.) verteld, zijn in S. vermoedelijk van het dwergmuskusdier op
de Agoeti (Z. a.) overgegaan, wanneer van het „konijn” verteld wordt.
Konoko-dakodwada. Boschpot.
Koningsgier. Zie: Stinkvogel.
Konoko-koeja. Woudgeest der Arowakken.
Koren, ook wel Bokkenkoren (Bokken worden in het algemeen de I.
genoemd), is de naam, die men in S. voor maïs (zie aldaar) gebruikt.
Kormorant. Deze naam geeft men aan verschillende soorten van
aalscholvers of zeeraven en is samengetrokken uit corvus (= raaf) en
marinus (= in of aan zee levend). Aalscholvers komen in alle streken
voor. Men treft ze als vischverdelgers niet alleen aan zeekusten aan,
doch ook aan rivieroevers. Zou er ook eenig verband zijn, vraag ik,
tusschen de donkergetinte randen der veeren bij dezen vogel, waardoor
het gevederte als geschubd lijkt, en het door de I. laten optreden van
den K. om de reuzenslang te verdelgen?
Kororomanna is een der Nationale Helden der Warraus.
Kostgrond noemt men de somtijds ver van de dorpen of kampen gelegen
bouwvelden der I. (ook der N.).
Kópro Kanón. Onder dezen naam was in 1829 een negerslaaf bij het
militaire kommando in S. berucht wegens zijn behendigheid, waarmede hij
aan zijn vervolgers wist te ontkomen. Toch gelukte het de
boschpatrouille, die in genoemd jaar tegen hem was uitgezonden, het
„koperen kanon” in zijn hut diep in het bosch te overrompelen, en hem
neêr te schieten. Zijn vrouw werd naar Paramaribo gevoerd, en moest de
afgehouwen hand, die voor den soldaat tien gulden waard was, ja zelfs
het hoofd van haar man als zegeteeken (!) meêdragen. (Zie het
aangehaalde boek van Dr. W. R. van Hoëvell, tweede druk, 2e deel, blz.
117).
Nog bij het tegenwoordige Creolengeslacht is deze „koperen kanon”
blijven voortleven, zooals niet alleen uit de vertelling in dezen
bundel blijkt, doch ook uit het liedje, dat door de S. jeugd nog altijd
wordt gezongen, wanneer zij, zooals men dit noemt aan het „aftellen”
is. De kinderen zingen dan de moeder van Kópro Kanón na, als zij haar
lievelingskinderen riep. (Zie blz. 333).
Kraai. Met kr. („Blackbird” in den oorspronkelijken tekst) wordt
bedoeld de kau-foetoe-boy der Sur. negers, een koekoekachtige vogel,
die men vaak op den rug van runderen naar insekten ziet zoeken. Wegens
zijn zijdelings samengedrukten, sterk gebogen snavel wordt deze vogel
(Crotophago ani) ook wel smousvogel genoemd.
Kraan. Daar Kraanvogels in G. niet voorkomen, zal met dezen vogel
vermoedelijk bedoeld zijn de Kraanral (Aranus scolopaceus), door de
Creolen Krau-krau genoemd.
Krab. Aan de lage kusten van G. wemelt het van krabben, hetzij aan het
modderige strand, hetzij in ondiep water; maar ook in helder water en
op het land komen zij er voor. Omtrent de soorten is men het nog niet
geheel eens. In Juli en September zamelen de I. massa’s kr. in, om ze
als voedsel te gebruiken. In deze maanden houden de dieren hun
„carnaval”, waarbij zij in menigte over den modder rondloopen en dan
dikwijls gevechten leveren. Men ziet ze dan hunne holen in- en
uitkruipen, en kunnen dan met de handen gevangen worden. Door de I.
worden deze dieren als de grootste lekkernij beschouwd, zoodat zij in
genoemde maanden in hunne booten naar het strand of naar de moerassige
rivieroevers trekken en de dieren bij duizenden in hunne Krabkorven meê
naar hun dorp kunnen nemen.
Kraboe dagoe. N.E. naam voor een roofdier (Procyon cancrivorus), van de
grootte van een vos, dat aan den Waschbeer van N.-Amerika verwant is.
Behalve vruchten, eet dit dier vogels, hagedissen en is verlekkerd op
krabben, vandaar de N.E. naam, die Krabben-hond beteekent.
Kuri-Kuri. Groote roofvogel, met welken zonder twijfel de
Regen-roofvogel (Herpetotheres cachinnans), ook wel Alin-akka genoemd,
bedoeld is. Zijn in den vroegen morgen gehoord geluid kondigt, volgens
de I., regen aan.
Kwama. Fluit. Doorgaans is deze van bamboe vervaardigd. In vroegere
eeuwen gebruikten de I. versierde fluiten van jagoear- en
menschenbeenderen.
Kwejoe. A. vrouwen droegen eertijds, soms ook nu nog wel, een
voorschoot of schortje van kralen, oorspronkelijk echter van zaden en
schelpjes. Deze Kw. zijn meest versierd met allerlei kralenfiguren,
kwastjes en franjes. Bij de Warrau-vrouwen is de Kw. langer.