Op een goeden dag stelde Anansi zichzelf tot predikant aan en begon al
preekende het land door te trekken. Op deze wijze bereikte hij
eindelijk Krabbenland. [355] Doch zijn woord vond daar geen gehoor: de
Krabben wilden niet naar hem luisteren.
„Wie niet sterk is, moet slim zijn”, dacht Anansi, „vriend Krab zal
zich door mij wel laten bekeeren. Daar kan hij donder op zeggen”. Hij
keerde nu naar huis terug, tooide er zich met toga en baret, schilderde
zijn neus rood—alles om een meer betrouwbaren indruk te maken—en haalde
eenige zijner vrienden over, om gezamenlijk zendingswerk te gaan
verrichten. De vrienden waren de Heeren Pad, Rat en Kraai*.
Al spoedig gingen zij met hun vieren op stap, en toen zij Krabbenland
bereikt hadden, begon Anansi ijverig en vurig te preeken, echter met
geen beter gevolg dan voorheen: bij vriend Krab vond zijn woord geen
ingang.
Anansi huurde toen van vriend Krab een huis, en trok daar in. Inziende,
dat Krab zich niet met preeken zou laten vangen, besloot Anansi, die
altijd veel snaren op zijn boog heeft, een anderen weg in te slaan. Hij
vervaardigde een trom en een viool, liet Kraai viool spelen, en vriend
Rat den trom roeren. Maar de muziek bevredigde hem nog niet; zij maakte
te weinig lawaai; er moest meer bij. Hij voegde daarom nog een fluit
aan zijn orkest toe en liet deze door vriend Pad bespelen.
Toen hij dit nu alles voor elkaar had, begon hij uitvoeringen te geven
en volgde nauwkeurig de levenswijze van de Krabben. En ziet! Deze
kwamen nu telkens bij hem en geraakten geheel onder zijn invloed. Wat
Anansi echter in zijn schild voerde, dat vermocht vriend Krab niet te
doorzien.
Toen Anansi nu in Krabbenland niet langer gewantrouwd werd, besloot hij
verder te gaan. Openlijk liet zijn Eerwaarde nu aankondigen, [356] dat
er in zijn woning een plechtig doopfeest zou plaats hebben, en dat de
plechtigheid door de uitvoering van hemelsche muziek zou worden
opgeluisterd. De gasten zouden met muziek ontvangen worden en met
muziek voorop naar huis teruggebracht worden. Onder de tonen der muziek
zou het loopen voor Krab een genot zijn.
Nu begon de groote repetitie. Vriend Rat sloeg op den trom, dat het
donderde; Kraai speelde op de viool, zoodat de vonken er afvlogen, en
Pad speelde op de fluit, zoodat de aderen op zijn hoofd opzwollen.
Anansi zou hen voorzingen, wat er gespeeld moest worden, en het eerste
nummer luidde:
[Muzieknotatie]
The bands a roll, [357] The bands a roll, the bands a roll, a
go to Mount Si-ney [358] Sa - lem is Zak - kilow, [359] Some a
we da go to Mount Si - ney. [360]
Verder sprak Anansi met zijn vrienden af, dat zij zich voor den schijn
door hem moesten laten doopen, en wel met zooveel vertoon, dat vriend
Krab verlangen zou, die plechtigheid ook te ondergaan.
Het doopfeest vond nu plaats en toen het was afgeloopen, waren de
Krabben daarover zóó in de wolken, dat zij niet konden nalaten te
verzoeken, hen op dezelfde wijze te begenadigen als Anansi’s vrienden.
Anansi antwoordde hen, dat hij vriend Krab de genade en den doop niet
wilde onthouden, maar dat hij er nog meê wilde wachten tot den
volgenden morgen, omdat hij zich door vasten er op moest voorbereiden.
Vriend Krab was met dit antwoord zeer in zijn schik.
Anansi legde nu zijn vrienden uit, wat hij van plan was te doen. Hij
zou vriend Krab doopen, maar niet met koud, maar met kokend water. Hij
liet een diep vat aanrukken, stelde dit als doopvont op, en verzocht
zijn vriend Krab, in het vat te kruipen en op den bodem daarvan plaats
te nemen. Toen het zoover was, vroeg Anansi zijn vrienden, den gereed
gemaakten ketel over te reiken, en hij goot dien over vriend Krab uit,
wiens lichaam daardoor geheel rood werd.
Toen Anansi dit zag, riep hij uit: „De Hemel zij dank, nu kan de slimme
rakkert mij niet langer weêrstreven, en zal Anansi hem rustig bij zijn
ontbijt kunnen verorberen”.
Sedert dien tijd bedriegt Anansi al zijn vrienden.
Ik bedoel er jou niet meê, Jack.